Oké, we hebben veel was

Zeven kinderen hebben Liesbeth (53) en Guido (52) geadopteerd in de Verenigde Staten. Alle zeven verwekt door dezelfde verslaafde vader en labiele moeder. Nu groeien ze op in Brabant. Guido: „We hebben in één nacht besloten.”

Liesbeth en Guido met hun zeven kinderen. Van links naar rechts: Guido, Liesbeth, Jorn (13), Timme (12), Veroniek (9), Rick (8), Thye (6), Karianne (5) en Jerre (4). Foto Merlin Daleman Nederland, Rosmalen, 12-08-11 Familie van de Meulen met 7 adoptie kinderen. © Foto Merlin Daleman

Liesbeth: „Anders dan de meeste adoptieouders hebben wij niet jarenlang smachtend op onze adoptie gewacht. Het is gewoon zo gelopen. We hadden al vier kinderen grootgebracht. Toen zij het huis uit waren, maakten we samen lange reizen door Europa. Mijn vriendin Lynne is kinderadvocate bij de Social Services, een overheidsinstelling waarbij ook jeugdzorg is ondergebracht. In juli 2006 besloten we op uitnodiging van die instelling in Californië te gaan wonen, om daar pro deo te helpen bij de oprichting van een consultatiebureau naar Nederlands model. In die periode werd ons gevraagd in te springen voor enkele kinderen in een crisissituatie. Zo is het begonnen.”

Guido: „We hebben daar verpauperde wijken gezien. Bij een school hing een bordje ‘drug free area’, maar dat hield dealers niet op afstand. Bij gebrek aan docenten gaan hele klassen om de twee maanden naar school. Kinderen van verslaafde ouders komen er vaak in pleeggezinnen terecht, maar daarmee zijn de kinderen nog niet veilig. Net als Nederland kampt Californië met een schrijnend tekort aan pleegouders. Vaak worden te veel kinderen op één adres geplaatst.”

Liesbeth: „In september 2006 belde Jeugdzorg ons over vijf kinderen die crisisopvang nodig hadden. Ze hadden oedeembuiken – veroorzaakt door ondervoeding. Ze waren vies en sociaal gedepriveerd. De situatie was zo ernstig dat jeugdzorg eigenlijk drie begrafenissen binnen een week verwachtte.

„Ze hadden een periode in een shelter van de lokale autoriteiten doorgebracht, een onderkomen waar kinderen worden geplaatst als er geen pleeggezin beschikbaar is. De twee twintigers die de shelter runden, smeten Rick op de badrand omdat hij als driejarige nog niet zindelijk was. Hij belandde in het ziekenhuis met een gescheurde milt, kneuzingen en een gebroken arm. Zijn buikwand lag open. Artsen hebben voor hem een nieuwe navel moeten maken. Zijn broertje Thye brak zes ribben. De arts concludeerde dat het om kindermishandeling ging en liet de kinderen niet terugkeren. De sociale dienst van de staat Californië nam het dossier toen over.”

Guido: „De kinderen die wij hebben geadopteerd, zijn verwekt door een drugsverslaafde vader en een labiele moeder die geen geld hadden voor eten, bedden, of voorbehoedsmiddelen. Ze woonden in een stacaravan. Hun vader zat meer in de gevangenis dan erbuiten. Drie keer kregen ze een cursus om te leren hoe ze het ouderschap beter konden inrichten. Tevergeefs. Veroniek heeft ons verteld dat er op een dag mensen in de stacaravan op bezoek kwamen om een overleden kindje op te halen. Wij vermoeden dat er zelfs twee kinderen in de rij zijn overleden.”

Liesbeth: „De kinderen waren al eens bij oma ondergebracht, maar ook zij keek niet naar ze om. Ze hadden twintig katten en honden. Het kwam voor dat de kinderen kattenbrokken aten, of poep. Ze hebben ook gezien dat hun vader stoned en naakt tussen de uitwerpselen lag. Veroniek en Rick – toen vier en drie jaar oud – hadden niet leren praten. Ze wauwelden met elkaar een soort kattentaal. Het enige dat wij verstonden was ‘all the people’ en ‘another day’.”

Guido: „De eerste tijd dat wij voor de kinderen zorgden, was het gewoon druk. In het begin reden we ook nog naar het ziekenhuis heen en weer om Rick op te zoeken. Toen Rick uit het ziekenhuis kwam, hadden we vijf kinderen – vier van hen droegen nog luiers. De eerste week lagen we ’s avonds doodmoe in bed. En ja hoor, we hebben ons heus wel afgevraagd: hoe moet dit verder? Maar de kinderen waren best rustig. We vonden ons ritme.

„Er hoorde nog een zesde kind bij dit gezin, een babymeisje dat bij een ander pleeggezin was ondergebracht. Zij kwam er iets later bij. Ik dacht dat ze misschien autistisch was, omdat ze haast nergens op reageerde. Liesbeth is met haar voor de spiegel gaan spelen: lampje aan, lampje uit. De derde dag al verscheen er een lachje op haar gezicht. Toen ze aankwam, bungelden haar beentjes slapjes heen en weer. Bij ons begon ze te kruipen. Jeugdzorg-medewerkers wisten niet wat ze zagen. Nu loopt en klimt ze als de beste. Terugkijkend denken we dat ze bij haar pleegmoeder ook ’s nachts niet uit haar maxi cosi kwam.”

Liesbeth: „De kinderen waren verbaasd dat ze bij ons meermalen per dag te eten kregen. In de stacaravan kregen ze soms maar eens in de twee dagen een hap, meestal macaroni in een waterige kaassaus. Het ontbijt sloegen ze over, of ze kregen een donut in hun handen gedrukt. Wij begonnen met kleine fruithapjes, maar uiteindelijk gingen ze allemaal goed eten. Op onze eettafel staan altijd twee fruitschalen vol appels, bananen en peren.

„De kleintjes waren na twee dagen al gewend en de oudsten gaven ons na een week een knuffel. Jorn en Timme waren al op vijf verschillende adressen ondergebracht, maar dat hadden ze nog nergens gedaan. We kregen complimenten van jeugdzorg. Na een maand of drie vroeg jeugdzorg of we deze zes kinderen misschien wilden adopteren.”

Guido: „Eh… daar moesten we even over nadenken. Maar op zich… kijk, we waren er al aan gewend om voor hen te zorgen.”

Liesbeth: „Het was niet in het belang van de kinderen om ‘nee’ te zeggen. Ze voelen zich veilig bij ons. We zijn hieraan begonnen, nu zullen we het afmaken ook, vonden we.”

Guido: „We hebben er een nacht lang over doorgepraat. We hebben onszelf allerlei vragen gesteld. Kunnen wij goed voor ze zorgen? Rick had nog wat medische problemen, dat was toen nog even zorgelijk. Maar verder… deze kinderen liggen ons. Als het raddraaiers waren geweest, hadden we het misschien niet gedaan. We vroegen ons ook af wat onze vier volwassen kinderen ervan zouden vinden.

„We hebben ons afgevraagd wat we zouden moeten nalaten – lange reizen bijvoorbeeld. Verder hadden we geen duidelijke toekomstplannen die we moesten schrappen. En we hadden toch al in de planning staan dat we allebei negentig zouden worden.”

Liesbeth: „Ze vragen zoiets natuurlijk ook niet aan iemand van 28.”

Guido: „Zij is verpleegkundige en ik ben psycholoog. Dat was natuurlijk een smetje, maar dat hebben ze door de vingers gezien.

„Ik heb die nacht verder een kleine berekening gemaakt, of het financieel haalbaar was – daar waren we snel uit. Doordat ik in de jaren negentig met veel winst een bedrijf heb verkocht dat interim-managers op IT-gebied detacheerde, hoef ik voor het geld niet meer te werken. We konden niet meer als God in Frankrijk leven.”

Liesbeth: „Maar we waren toch al nooit feestbeesten.”

Guido: „De volgende dag hebben we ja gezegd. Het is uiteindelijk een emotionele beslissing geweest. Maar als wij eenmaal een besluit hebben genomen, zijn we er tevreden mee.”

Liesbeth: „In voorbereiding op de adoptie-uitspraak door de rechter begon jeugdzorg een home study, een diepgaand onderzoek naar onze geschiktheid. Dat was zwaar, maar later was het leuk om te lezen. We werden ‘excellent parents’ genoemd.

„In die onderzoeksperiode belde jeugdzorg dat er nog een zevende kind was geboren. Of we die ook wilden adopteren. Als dit de laatste is, wel ja, zeiden we. We hebben natuurlijk wel gedacht: wat doen we bij een achtste of negende kind? Maar dat doet zich niet voor – de biologische ouders zijn inmiddels onvindbaar geworden.”

Guido: „Volgens jeugdzorg zouden de kinderen hun slechte start sneller achter zich kunnen laten met nieuwe namen. De oudste kinderen beaamden bij de rechtbank dat ze dat wilden. Na overleg kozen ze voor Oud-Brabantse namen. We noemden hen Jorn, Timme, Veroniek, Rick, Thye, Karianne en Jerre. We hielden hun oude namen aanvankelijk aan als tweede naam, maar ook daartegen maakten ze bezwaar. De jongens wilden naar papa worden vernoemd en de meisjes naar mama. En dus hebben we vijf varianten op Guido bedacht: Guyon, Gideon, wacht, ik pak even de paspoorten erbij…”

Liesbeth: „In 2008 sprak de rechter de adoptie uit. Wij waren bereid geweest om de kinderen in Amerika groot te brengen, maar de rechter oordeelde vanuit hun belang: de oudsten mochten kiezen waar ze wilden wonen. Na een tijdelijk verblijf in Brabant kozen ze voor Nederland. De staat Californië betaalde de tickets en regelde binnen drie dagen zeven paspoorten.”

Guido heeft de paspoorten gevonden. „Dit zijn de namen waarmee we ze hebben vernoemd: Guyon, Gidde, Elizabeth, Gideon, Guillaume, Lizabeth-Lynne, en Guido.”

Liesbeth: „De vlucht naar Nederland was spannend. Veroniek begon te huilen. Ze wilde bij mama – déze mama – op schoot, maar dat kon niet, omdat we gingen opstijgen. Eenmaal in Nederland keken ze hun ogen uit. Voor ons huis ligt een flinke speelweide. Ze vroegen of we moesten betalen om daar te mogen spelen... Zoiets kenden ze nog niet.”

Guido: „Er was de Californische Jeugdzorg veel aan gelegen dat het de kinderen ook in Nederland goed zou gaan. Ze reisden mee naar Brabant, om te zien of het klopte dat ons huis groot genoeg was, en veilig. Ze hebben alle lades opengetrokken om te kijken of we geen wapens in huis hadden, of kinderporno.

„We hadden toen geen traphek-

jes. Ik beloofde dat ik het in orde zou maken. Daar namen ze geen genoegen mee. Ik moest ze meteen bij de bouwmarkt halen. Diezelfde avond zat ik na een reis met zeven kinderen en een jetlag twee hekjes te monteren.”

Liesbeth: „Onze buurvrouw Henny vraagt vaak wanneer ze mag oppassen. Ze vindt het zulke lieve kinderen. Iemand in het dorp reageerde met ‘wat een gekkenwerk’, maar inmiddels is het totaal omgedraaid. Met Oud en Nieuw stonden alle zeven kinderen met sterretjes op een rijtje. ‘Het is net een sprookje’, hoorden we mensen zeggen. Op school krijgen we vooral lof, van zowel leerkrachten als ouders.”

Guido: „Onze oudste zoon (30) reageerde enigszins geschrokken op ons plan om deze rij kinderen te adopteren. Dat komt uit een goed hart. ‘Papa, je hebt geld’, zei hij, ‘gaan jullie niet liever mooie en verre reizen maken?’ Tegenwoordig komt hij vaak langs om met de jongens te dollen. Of hij neemt ze mee naar Ajax.

„Natuurlijk, het had zo kunnen zijn dat we zeven probleemgevallen hadden gekregen. Maar dat is niet zo. Ik heb ze ook zelf getest. Daarin heb ik me als psycholoog destijds gespecialiseerd. Ik ben behalve IT-specialist ook onderwijzer en klinisch pedagoog, psycholoog voor kinderen. Ze bakten weinig van hun eerste Nederlandse proefcito’s, maar die achterstand hebben ze ingehaald. Jorn en Timme gaan volgend jaar naar de havo met een citoscore van 539 punten – en daar ben ik meer dan trots op!”

Liesbeth: „We horen vaak dat mensen al doodmoe en gestresst zijn van twee of drie kinderen opvoeden. Al die bedden opmaken, hoor ik moeders verzuchten. Oké, we hebben veel was, maar Guido helpt mee. Het scheelt dat ik na de komst van deze zeven niet van zware bevallingen op krachten hoefde te komen.

„Boterhammen hoef ik ’s ochtends niet te smeren, want ze blijven nooit over. Schoonmaken doen we ook zelf, op de maandagen – dan mogen er geen vriendjes mee. In de vakanties sopt ieder zijn eigen kamer, zelfs Jerre (4) en Karianne (5) poetsen heerlijk mee. Veroniek wil vaak de wastafel boenen, dan glimmen de kranen zo mooi. De boodschappen doen we tijdens schooltijd. Dan neemt Guido het ene gangpad en ik het andere. Bij de kassa kijken we in elkaars karren. Dan blijkt soms dat we vier potten appelmoes hebben, maar dat gaat wel weer op.

„De kinderen zijn gezeglijk. Als een kind ondeugend is en niet wil luisteren, kijk ik het streng aan. Ik hoef ze eigenlijk bijna nooit op een strafplek te zetten. Belonen werkt beter. Guido lost veel op door grapjes te maken.

„Ik zorg dat ik ’s middags tijd heb om gerichte aandacht te geven. Ik help dan met huiswerk. Het opzeggen van de tafels heeft bloed, zweet en tranen gekost, maar het resultaat was ernaar – zij kenden ze als eersten van de klas. Vanaf 2007 hadden de oudsten veel in te halen. Leren fietsen was een kwestie van doorzetten en nog meer doorzetten. We hebben ook enorm gelachen. Veroniek en Karianne hebben de familietraditie in ere gehouden door – net als mama vroeger – met fiets en al de plomp in te rijden. Guido geeft de oudste twee gitaarles.”

Guido: „Wij hoeven geen carrière meer te maken, dat scheelt. We hebben geen geldzorgen en hoeven niets meer te bewijzen. Onze aandacht ligt primair bij de kinderen. Dat geeft rust en schept voldoening.

„Zo willen we ook leven. We hebben een altruïstische instelling. Doordat je er kunt zijn voor een ander krijgt je leven zin, zoals Martin Buber heeft geschreven in zijn verhandeling Ich und Du (Ik en Gij). Uit mijn studie en werk heb ik een interesse voor hermeneutiek meegenomen: bestaan is verstaan – dat motto pas ik dagelijks toe in het gezin.”

Liesbeth: „Jonge ouders werken vaak allebei en moeten soms een weekeinde weg om tijd te maken voor elkaar. Wij niet. We genieten van kleine dingen. We helpen op school en bij de scouting. Ik heb geen ambities meer op werk- of studiegebied. Ik heb ook geen hobby waarvoor ik tijd wil vrijmaken. Dat kun je tegenover deze kinderen ook niet maken, vind ik. Voor mij is het goed zo. We genieten met volle teugen. We brengen de kinderen meestal samen naar school en halen hen samen weer op. Guido vindt het ook heerlijk om veel thuis te zijn.”

Guido: „Misschien zet ik mijn master informatica nog eens in voor een consultancyklus. Maar ik wil geen vast werk meer. Dat mis ik niet.”

Liesbeth: „Jeugdzorg Californië is ontzettend trots dat deze zeven kinderen een goed thuis hebben gevonden. Een van de medewerkers vertelde dat ze soms moeite heeft om haar werk vol te houden. Het is zo deprimerend als ze voor verwaarloosde kinderen geen goede pleegouders kan vinden. ‘Maar’, schreef ze, ‘dan denk ik aan jullie, en dan kan ik er weer tegen’.”

    • Hille Takken