Oeverloos Sydney

In een serie over de stad en het water merkt Ivo Weyel dat je overal in Sydney de zee kunt zien. Daardoor zijn de Sydneysiders de meest relaxte stadsbewoners op aarde.

De skyline van Sydney met links, omringd door water, het Sydney Opera House, genomineerd voor de verkiezingen van de zeven moderne wereldwonderen. A view of the Sydney city skyline on March 23, 2011 four days before Earth Hour. Earth Hour, when everyone around the world is asked to turn off lights for an hour from 8.30 p.m. local time, is meant as a show of support for tougher action to confront climate change. Picture taken 23 March, 2011. REUTERS/Tim Wimborne (AUSTRALIA - Tags: CITYSCAPE ENERGY ENVIRONMENT SOCIETY) REUTERS

Het duurde vijf jaar om tot de beslissing te komen het operagebouw aan de waterkant te plaatsen. Gemeente, overheden en inwoners van Sydney konden het maar niet eens worden over de plek, want welke idioot bouwt nou een opera in een soort waterig niemandsland, aan het einde van een stille pier? Operagebouwen horen in het centrum. Zo gebeurde dat al eeuwen in Europa, dus waarom dan niet in Australië? Schoorvoetend gaven de verliezers uiteindelijk toe en reserveerden een budget van 5 miljoen Australische dollars voor de bouw die in 1959 na vijf jaar steggelen en procederen eindelijk begon.

Het budget werd uiteindelijk met niet minder dan 95 miljoen dollar overschreden, en de bouw duurde 15 jaar. Architect Jorn Utzon – die het ontwerp naar eigen zeggen in twee minuten met een zwierige pennestreek had neergezet, zonder gebruik van meetlatten of wiskundige berekeningen –, was niet aanwezig bij de officiële opening in 1973 door koningin Elizabeth. Hij had zeven jaar daarvoor in grote woede niet alleen de bouwplaats, maar zelfs Australië verlaten om nooit meer terug te keren. Hij zou geen voet meer op Australische bodem zetten en het gebouw nimmer met eigen ogen aanschouwen. Hij stierf in 2008 op negentigjarige leeftijd, nadat zijn opera een jaar daarvoor door Unesco op de werelderfgoedlijst werd geplaatst.

Elizabeth vergeleek het gebouw in haar openingsspeech met de Egyptische piramiden die tijdens de bouw voor veel controverse hebben gezorgd maar vierduizend jaar later als een van de wereldwonderen worden beschouwd. Nou gaat dat laatste wat ver, maar Utzons gebouw (dat qua ontwerp in de volksmond rap met allerlei dingen werd vergeleken, variërend van zeilboten op zee tot nonnen op drift) werd de Eiffeltoren van Sydney, het icoon, het internationale gezicht van de stad.

Waterzucht

Wie tegenwoordig de bouw van nieuwe opera’s waar ook ter wereld een beetje volgt, kan maar tot één conclusie komen: waterzucht. Geen operagebouw houdt het meer droog, ze verrijzen allemaal – en dan bedoel ik ook echt állemaal – aan de oever van zeeën, meren, rivieren of plassen. Ter bewijsvoering een korte opsomming van alleen al de laatste vijf jaar: Dubai, Guangzhou, Kopenhagen, Oslo, Hongkong, Hamburg, Zhejiang, Athene, Toronto, Santa Cruz, Genève, Abu Dhabi, Porto, en dat zijn nog bij lange na niet alle steden die opera’s aan hun kusten bouwen. En allemaal huren ze beroemde architecten in, met opzienbarende ontwerpen, in de hoop dat deze ook in hun steden tot nieuwe iconen zullen uitgroeien. The New York Times kopte laatst in ultieme jaloezie over wat er overal ter wereld, behalve in New York gebeurt: ‘What New York needs: a theater on the waterfront.’

Onnodig te vermelden dat het gebied rond de Sydney Opera in de loop der jaren mee is geklommen in de vaart der volkeren. Het staat nu volgebouwd met hoge, rechte, moderne gebouwen (‘broodroosters’ in de volksmond), met restaurants, clubs, musea, cafés en ander vertier (tip: hier bevindt zich een van de leukste hotels van de stad, The Quay Grand, waar de kamers weidse wateruitzichten hebben).

Maar ieder voordeel hep z’n nadeel: de kade is zo volgebouwd dat het zicht op de majestueuze opera is verdwenen. Wat de Sydneysiders opnieuw te hoop deed lopen, dit keer uit protest tegen de projectontwikkelaars die alle waterfronts van de stad op eenzelfde wijze dreigden te bebouwen. Met succes.

Sindsdien zijn zowat alle havengebieden, werven en wat dies meer zij beschermde stadsgezichten, waardoor zelfs het kleinste, armoedigste scheepsdokje, de aftandse schuur of vervallen houten barak waar ooit misdadige immigranten werden gehuisvest, gerestaureerd moet worden, en hoogbouw aan de waterkant uit den boze is. Wat resulteert in allerhande trendy horeca die er is neergestreken, en in – slimme jongens! – kantoren en ateliers van de architecten die deze klus op zich namen.

Ook het leuke hotel Blue aan de Cowper Wharf Road is hiervan het resultaat; gevestigd in een oud wolpakhuis met alle industriële eigenschappen van dien, ligt het aan de brede kade van Woolloomooloo Bay met uitzicht op het enorme publiekszwembad aan de overkant, waar het water licht turkoois is en prachtig afsteekt tegen het diepe saffierblauw van de baai. Vandaar natuurlijk ook de naam van het hotel.

Het leuke van Sydney is dat je heel veel moeite moet doen om geen water te zien. Er zijn meer dan zeventig stranden en een veelvoud aan havens en baaien. Overal vandaan vertrekken veerdiensten, ponten, watertaxi’s en watervliegtuigen. In de straten kruisen keurig geklede zakenlui, druk gesticulerend in hun mobiele telefoon het pad met korte broek dragende surfboys met de surfplank onder hun arm en iPod in het oor, en niemand kijkt daar van op.

Sydneysiders zijn de meest relaxte, tolerante en buitengewoon vriendelijke stadsbewoners op aarde, iets waar je als botte Europeaan – ik trek het boetekleed aan – de eerste dagen erg aan moet wennen. Zo aardig kan toch niemand zijn? Wat moeten ze van me? Hoe bedoelt u, ik kan mijn tas hier laten staan, wordt die niet gejat dan? Ooit was ik getuige van een in mijn ogen totaal bizarre ontmoeting; zittend op een terras parkeerde een opengeklapte Porsche cabrio voor de deur. Op de achterbank stond een enorme doos met daarin – hij stond op de doos afgebeeld – een flatscreen televisie. Daarnaast nog een stuk of wat winkeltasjes, waaronder een zwarte waarop met grote letters Chanel stond gedrukt. De eigenaresse stapte op mijn buurtafel af (ze keek eerst nog even naar mij, maar dacht snel, nee hij niet), vroeg de man of hij even op de auto kon passen („Sure, no problem”) en verdween voor zeker een kwartier de hoek om.

Ik dacht aan Bananasplit of anderszins verborgen camera. Maar niets van dat al.

„Thanks”, zei de vrouw bij terugkomst.

„Now worries”, zei de man op het terras.

Op de vraag waarom ze zo easy going zijn luidt het antwoord ‘ruimte & water’. Sydneysiders hebben de meeste vierkante meter per bewoner ter wereld tot hun beschikking (in een stad) en de meeste directe toegang tot water. Toch is het tijdens de spits wel eens lang wachten op de veerboot. Verzuchtte een man achter mij in de rij: „If only Jesus had taught us to walk on water”.

    • Ivo Weyel