Baas over eigen organen

Als een organenmarkt sommige mensen redt van armoede en andere mensen van lijden en dood, dan is een verbod erop ethisch gezien nog onmogelijk houdbaar, vindt Marcel Zuijderland.

Illustratie Angel Boligan

‘Ja”, roepen de bewoners van Hensbroek in een spotje voor de actie ‘Nederland zegt Ja’.

Het spotje maakt deel uit van een campagne die de overheid eind 2009 is gestart om mensen te bewegen zich als donor te laten registreren. Het is niet zonder resultaat geweest. Afgelopen jaar verwerkte het donorregister bijna 233.000 registraties.

Mooi dat de campagne zoveel succes heeft. Jammer dat het niet zal helpen. Hoeveel mensen ook ‘ja’ zeggen, steeds minder mensen zullen als een geschikte donor sterven. Door toegenomen verkeersveiligheid is er minder fataal hersenletsel. Vanwege verbeterde neurochirurgische en neuro-intensive-caremogelijkheden worden ook meer verkeersslachtoffers gered, maar sterven er vooral aanzienlijk minder mensen aan hersenbloedingen. Aangezien hersendode patiënten de belangrijkste bron zijn van donororganen in de transplantatiegeneeskunde, zal het tekort blijven groeien.

Gelukkig wordt de laatste jaren ook steeds vaker bij leven gedoneerd aan een zieke vriend, gezins- of familielid. Toch zijn er nog genoeg die geen altruïstische naasten hebben. Zij zouden baat hebben bij een markt voor organen. Dan zouden ze in plaats van wachten, het gezonde orgaan meteen kunnen kopen.

Maar helaas bestaat zo’n markt niet. Bijna overal ter wereld is het verboden je organen te verkopen.

De tegenstanders van een markt in organen vinden het moreel onaanvaardbaar dat de grootste groep aanbieders arm zal zijn. Die bieden hun nieren – want om dat orgaan zal het vaak gaan – niet vrijwillig aan, is hun gedachte. De armoede dwingt hen tot die keuze. Daarom is het ook geen autonome keuze. En daarom moeten ze ook voor zulke keuzes tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Het onvrijwillige karakter van dergelijke keuzes rechtvaardigt volgens de tegenstanders het verbod op de verkoop van organen.

Probleem met dit argument is dat niet duidelijk wordt waarom het arme mensen dan enkel is verboden hun organen te verkopen. Diezelfde armoede dwingt ze toch ook smerig, eentonig en slecht betaald werk aan te nemen. Dat werk zou dan eveneens verboden moeten worden, het gaat immers om dezelfde dwang.

Omdat dergelijk werk niet verboden is, zou alleen nog een verhoogd gezondheidsrisico het verbod kunnen rechtvaardigen. Daar is echter geen sprake van. Aan het afstaan van een nier is minder risico verbonden dan aan ongeacht ieder willekeurig gevaarlijk beroep. Zolang dus niet duidelijk is waarom de ‘gedwongen’ verkoop van nieren wel en van arbeid niet is verboden, neigt het verbod op orgaanhandel naar selectieve willekeur.

Een nog fundamenteler probleem met dit argument is de veronderstelling dat armoede ook werkelijk zou ‘dwingen’. Dwang betekent dat iemand je een keuze opdringt waaraan je alleen maar weerstand kunt bieden, of gehoorzamen. Maar wanneer iemand door armoede gemotiveerd overweegt een nier te verkopen, dan is hem dat door niemand opgedrongen. De mogelijkheid zijn nier te verkopen stelt hem niet voor het blok. Hij hoeft zich er niet tegen te verzetten of anders voor bezwijken. Nee, hij zal die verkoop afwegen tegen de voor- en nadelen van zijn andere opties.

De tragiek van armoede is weliswaar dat de andere opties vaak schaars en meestal slecht zijn. Toch betekent het niet dat hij dan geen vrijheid meer heeft om daarin zijn autonome keuze te maken. Ook al kan het een sterke prikkel zijn, hij zal nog steeds zelf meester zijn over de beslissing zijn nier uiteindelijk wel of niet te verkopen.

Wanneer er geen letterlijke dwang bestaat bij een markt voor organen, is er dus geen legitieme reden mensen te verbieden die te verkopen. Met een verbod op orgaanhandel wordt de autonomie van arme mensen dan ook niet gered, maar juist aangetast. Bovendien tast het niet alleen hun recht aan vrij over eigen lichaam en leven te beschikken, maar onthoudt het hen ook nog eens de mogelijkheid om met het geld van de verkoop van hun nier aan de armoede te ontsnappen. Hoewel het verbod arme mensen zou moeten beschermen, komt het er op neer dat het ze in hun armoede gevangenhoudt.

Zo het verbod voor de potentiële verkopers al onredelijk en onethisch is, voor de mensen op de wachtlijst komt het feitelijk op marteling en moord neer. Terwijl genoeg mensen hun nier zouden willen verkopen, worden degenen op de wachtlijst door het verbod veroordeeld tot langer lijden, verder aftakelen en uiteindelijk de dood. Vandaar dat een verbod op orgaanhandel niet alleen een onrechtmatige schending van de autonomie is, maar ook nog eens misdadig is. Als een markt in organen sommige mensen redt van hun armoede en andere mensen van lijden en dood, dan is een verbod erop ethisch gezien nog onmogelijk houdbaar.

Natuurlijk moet heel Nederland nog steeds ‘ja’ zeggen tegen donorregistratie. Het zal alleen nauwelijks effect hebben. Een mooi symbolisch gebaar is het wel. Maar daar heeft niemand wat aan. Legalisering van de markt in organen daarentegen zal levens redden en lijden verminderen. Het is niet minder dan een morele plicht daar volmondig ‘ja’ tegen te zeggen.

Marcel Zuijderland is filosoof en publicist.

    • Marcel Zuijderland