Yossarian leeft nog

Vijftig jaar na verschijning is er een jubileumuitgave van Catch 22 – een absurdistische roman over de oorlog.

De Yossarians van toen dolen nog in de wereld van nu.

Full length shot of B-25 during flight in WWII in 1942. (AP Photo)

Schrijver Joseph Heller (1923-1999) is in 1962 te gast bij NBC’s Today show om geïnterviewd te worden over zijn Tweede Wereldoorlogroman Catch-22. Na de opnames duwt presentator John Chancellor hem een stapeltje stickers in zijn handen. ‘YOSSARIAN LIVES’ staat erop. Hij heeft ze zelf laten drukken, vertrouwt Chancellor de schrijver toe, en hij verspreidt ze al enige tijd via de muren van de toiletten en gangen van het gebouw. Catch-22’s protagonist Yossarian had indruk gemaakt op de presentator.

De Vietnamoorlog is in volle gang en een absurdistische roman over de gekte van het fenomeen oorlog valt, getuige de vliegende start van het boek, in vruchtbare aarde. Maar ook vijftig jaar later – een paar oorlogen verder, en evenzoveel illusies armer – is het werk nog onverminderd sterk. Yossarian maakt nog altijd indruk. Ook op mensen die zich geen enkele reële voorstelling kunnen maken van een oorlog. Waarom? Omdat Catch-22 naast een tragikomedie over de oorlog, ook een van cynische humor doordrenkt verhaal over bureaucratie is.

De 28-jarige kapitein Yossarian claimt van Assyrische afkomst te zijn en is bommenrichter in het Amerikaanse leger. Hij is gestationeerd op het eilandje Pianosa in de Middellandse Zee, vanwaar hij met een B-25 en de grootst mogelijke tegenzin precisiebombardementen boven Frankrijk en Italië uitvoert. Zijn enige wens is niet te sterven, of desnoods te sneuvelen tijdens zijn streven die wens in vervulling te laten gaan. Helaas lijken zijn leidinggevenden vastberaden hem net zo vaak te laten opstijgen totdat hij een keer niet terugkomt. Kolonel Cathcart blijft het aantal verplichte vluchten consequent verhogen, enkel om een wit voetje te halen bij zijn superieuren.

De even onzekere als ambitieuze kolonel illustreert perfect de gekte die overal heerst. Althans, zo ziet Yossarian het. Of hij is gek, of de wereld om hem heen is gestoord. En hoewel duidelijk is dat hij zo ongeveer de enige rationele, morele persoon in het hele leger is, beschouwen de meesten van zijn collega’s hem als krankjorum. Dat vindt hij best, want wie gek wordt verklaard, mag naar huis.

Helaas voor Yossarian traineert de mysterieuze catch-22 zijn acute wens tot zelfbehoud. Iedereen die hem naar huis kan sturen, verschuilt zich achter de clausule. Hij stelt kort gezegd dat wie gek is niet meer hoeft te vliegen, maar ook dat wie zich gek wil laten verklaren om zijn leven niet meer te riskeren, zo gek nog niet kan zijn. Die persoon moet dus gewoon doorvliegen. Wanneer Yossarian voor het eerst wordt gewezen op het bestaan van catch-22 fluit hij eerbiedig: ‘hij overziet het geheel in zijn duizelingwekkende redelijkheid’ en is ‘diep getroffen door de strenge eenvoud van de catch.’

Er zullen weinig oorlogsromans zijn die in de eerste plaats een vaag gevoel van herkenning oproepen bij de lezer. Hoewel het boek naarmate meer mensen het leven laten grimmiger van toon wordt – zonder overigens minder grappig te zijn – valt het leeuwendeel van het verhaal nog het beste te duiden als een bureaucratische farce. En in die zin heeft het boek nooit aan actualiteit verloren.

Yossarian botst in zijn grenzeloze redelijkheid constant met karakters die volledig van de werkelijkheid losgezongen zijn. Types als de kolonel die denkt indruk te maken door van zijn mannen het onredelijke te eisen en voor wie doden vooral een administratief probleem zijn. Types ook als Milo Minderbinder, de kapitalistische messofficier voor wie alles handel is, die zijn eigen squadron bombardeert omdat de Duitsers hem een goede prijs betalen. De inherente redelijkheid van die actie kan hij zijn leidinggevenden gemakkelijk uitleggen, omdat zij en alle anderen tenslotte een aandeel in zijn onderneming hebben, en dus winst maken. Milo weet trouwens ook eieren van 7 cent uit Malta op de basis voor 5 cent door te verkopen. Met winst, mind you.

De meeste personages zijn onzeker, dom, angstig, kleingeestig, egoïstisch of hypocriet, maar in al hun menselijkheid vaak ook aandoenlijk of zelfs sympathiek. Uit eerzucht of lijfsbehoud gedragen ze zich op een manier die, zij het op minder groteske schaal, in iedere grote organisatie voorkomt. De regels waaraan ze zijn onderworpen zijn in hun duizelingwekkende redelijkheid herkenbaar voor eenieder die weleens zo naïef is geweest met een oprechte vraag een telecomaanbieder te bellen.

Het is allemaal zo herkenbaar omdat ook nu in de echte wereld, al het gepraat over de ratio ten spijt, de redelijkheid soms ver te zoeken is. De mooiste parallel is te vinden tegen het einde van het boek. Yossarians leidinggevenden lijken eindelijk bereid hem naar huis sturen. Enige voorwaarde is dat hij ze aardig vindt. Wanneer hij twijfelt, lijkt hun respons, met de Bush-jaren nog vers in het geheugen, een echo uit het heden: ‘Je bent voor ons, of je bent tegen je land.’ Eerlijk als hij is, weigert hij hen te mogen. ‘Stel dat iedereen zo zou denken’, werpen ze hem tegen. ‘Dan zou ik toch wel gek zijn als ik er anders over dacht?’ luidt zijn heldere weerwoord.

Sommige humor is tijdloos en dus leeft Yossarian nog altijd. Je hoopt dat hem net zo’n lang leven is gegund als Voltaires Candide en Cervantes’ Don Quichot. Maar waar die eerste naïef was in een gruwelijke wereld en de tweede gek in een normale, doolt Yossarian nog altijd rond in de onze. Een wereld die vaak absurd, maar soms helaas zowel gruwelijk als gek is.

Joseph Heller: Catch-22. Vertaling J.F. Kliphuis. Ambo Anthos, 503 blz. € 15,–

    • Jan Postma