'Vreemde' coaches hebben achterstand

Voormalig wielerman Theo de Rooij is niet welkom in het schaatsen. Topcoach Ton Boot laakt de reacties. „De schaatswereld reageert met valse argumenten.”

„Theo de Rooij maakt nu al geen kans meer”, beweert basketbalcoach Ton Boot. „Niet wegens zijn capaciteiten. Schaatsers, coaches, sponsoren: hij heeft de hele schaatswereld al tegen zich nog voor hij begonnen is”.

Boot heeft een ruime ervaring met het ‘switchen’ tussen sporten. Zo werkte hij in 2007 een jaar bij voetbalclub AZ. „Ik las geregeld een sabbatical in”, vertelt hij. „Dan ga ik een jaar weg van het basketbal. Je bekijkt alles met een kritische blik. Ongelofelijk leerzaam is dat”.

Boot is er rotsvast van overtuigd dat switchende trainers of managers een meerwaarde kunnen zijn. „Een buitenstaander zou wonderen kunnen doen bij het schaatsen”, meent hij. „De laatste twee Olympische Spelen heeft de achtervolgingsploeg twee keer gefaald. Dan is het geen slecht idee iemand van buiten de schaatswereld te nemen”.

Buitenstaanders hebben het vaak moeilijk bij hun overstap. „Sporters willen nu eenmaal niemand van buiten hun wereld”, verklaart Boot. „Dat is een soort sociologische reactie. Dat zie je ook bij de heisa rond De Rooij. De schaatswereld reageert met valse argumenten. Er zijn geen rationele redenen hem nu al af te branden.”

Nochtans kunnen bestuurders van buiten de sport een meerwaarde zijn. „Als buitenstaander stel je zaken ter discussie die insiders niet opmerken”, stelt Joop Alberda. De volleybalcoach haalde olympisch goud op de Spelen van 1996 en ging daarna voor NOC*NSF werken. Van 2006 tot 2007 was hij actief in de voetbalwereld, als technisch directeur van de nationale ploeg van Rusland, die toen gecoacht werd door Guus Hiddink.

„Als je de overstap maakt, ben je het eerste jaar uitsluitend bezig met vertrouwen winnen”, vertelt Alberda. „Toen ik naar NOC*NSF ging, hoorde ik in alle gesprekken: ‘het is geen volleybal’. Het eerste jaar spendeer je puur aan vertrouwen bouwen. Je kan je eigen ideeën pas doordrukken als er vertrouwen is”.

Als coach is het onmogelijk de overstap te maken, meent Alberda. „Coaches zijn AAA-mensen. Ze zijn authentiek, autoritair en autonoom. Dat maakt het zeer moeilijk tussen sporten te switchen. Je moet de geur van de kleedkamer kennen, anders kan je niet succesvol zijn. Je geloofwaardigheid als coach is te zeer gelinkt aan de sport waarin je groot bent geworden”.

Toch zijn functies als technisch directeur of manager onderling inwisselbaar, vindt Alberda. „In topsport gaat het altijd om dezelfde principes: een goed wedstrijdprogramma, goede coaches, een goede verhouding tussen trainen en rusten, slim reizen. Alleen het decor is anders”. Boot is het met Alberda eens. „Management is in alle sporten hetzelfde. Als manager zorg je voor een organisatie. Daarvoor moet je zelf niet gesport hebben”.

Maar switchers zijn zelden succesvol. Roelant Oltmans behaalde als hockeycoach olympisch goud en wereldtitels. Zijn periode als technisch directeur bij de Bredase voetbalclub NAC was minder succesvol. „Als buitenstaander heb je minder krediet”, zegt Oltmans. „Je krijgt sneller de schuld als het minder gaat. Ik kreeg een periode van zes maanden om me in te werken, eigenlijk was dat nog niet genoeg. Ik heb het gevoel dat ik de ins en outs pas echt doorhad toen ik drie jaar later weer vertrok.”

Er zijn uiteraard uitzonderingen. Zo is ex-hockeyer en oud-bondscoach Hans Jorritsma al vijftien jaar teammanager van het Nederlandse voetbalelftal. Ook voormalig volleyballer Toon Gerbrands maakte succesvol de overstap naar de voetbalwereld. Hij is sinds 2002 directeur algemene zaken bij AZ.

Boot, Alberda en Oltmans betreuren dat er zo weinig kruisbestuiving bestaat tussen verschillende sporten. „In de bedrijfswereld is het zo vaak succesvol”, zucht Oltmans. „Zeker in sportorganisaties waar het niet goed gaat, kan het wonderen doen”, vindt ook Alberda. „Soms heb je nu eenmaal vreemde ogen nodig om veranderingen af te dwingen”.

    • Jeroen Zuallaert