Tweemaal daags wat regenworm

Hij moest niks hebben van heksenvervolgingen en hij probeerde rare ziektes door te prikken. Maar eigenlijk was het Jan Wier om iets anders te doen dan uitwassen van bijgeloof.

Jan Wier, op een 17de-eeuwse kopergravure van Pieter Holsteyn naar een 16de-eeuwse houtsnede.

Vera Hoorens: Een ketterse arts voor de heksen. Jan Wier (1515-1588). Bert Bakker, 634 blz. €49,95

Johannes Wier is de geschiedenis ingegaan als een modern bestrijder van heksenvervolgingen en zelfs als een grondlegger van de psychiatrie. Een man met visie, iemand die licht bracht in de troebele tijden van rondreizende kwakzalvers, waarzeggers, tovenaars en duiveluitdrijvers. Er zijn in Nederland en Frankrijk dan ook psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor verslaafdenzorg naar hem vernoemd; verdienstelijke Duitse artsen kunnen de Johannes-Weyer-medaille opgespeld krijgen.

Wie een loep op het leven van zo’n persoon legt moet echter al snel ontdekken dat het veel gecompliceerder ligt, dat de man niet modern rationeel, was zoals we graag zouden zien, dat hij ook maar een kind van zijn tijd was, die in duivels geloofde en in kabouterachtige geesten in de mijnen.

Sociaal-psychologe Vera Hoorens, moet, om maar in de sfeer van haar onderwerp te blijven, wel zeer bezeten van Jan Wier zijn geweest. Onvermoeibaar stroopte ze stad en land af naar archivalia, boeken en soms ook nog monumentale restanten van haar held. Dat leverde een interessante, volumineuze studie op, waarop ze in Leuven promoveerde.

Wier, geboren in Grave in 1515, komt in dit boek niet primair naar voren als een man met gezag of als een rationeel denkend wetenschapper. Eerder is hij een zoekende huisarts met empirische neigingen, die steevast geloofde in de humoraaltheorie. Die gaat ervan uit dat gezondheid afhangt af van het evenwicht tussen de lichaamssappen bloed, witte gal, zwarte gal en slijm. In de verstoring van dat evenwicht lag de bron van alle kwalen. Therapieën bestonden dan ook uit het herstel van dat evenwicht door middel van aderlaten, purgeren en het toedienen van braakmiddelen. Voorgeschreven brouwsels, zalven en pleisters en welgemeende adviezen als rust nemen, frisse lucht en beweging, wezen de weg naar verder herstel.

Lijfarts

Wier studeerde enkele jaren in Parijs, maakte zijn studie nooit af en is ook niet gepromoveerd. Dat speelde hem parten. Na enkele omzwervingen werd hij lijfarts van Willem, hertog van Kleef en Gulik. Hij leefde daar tussen geleerden die wel doctor waren en van wie sommigen nog bij Erasmus in de leer waren geweest. Om zichzelf te bewijzen begon Wier te publiceren. Van zijn hand verschenen boeken over scheurbuik, over de eigenschap ‘gramschap’, over ‘zeldzame medische waarnemingen’ en over duivels en heksen. Het zijn eclectische geschriften waarbij Wier het niet erg nauw nam met zijn bronvermeldingen.

Vera Hoorens behandelt die werken van Wier uitvoerig en ook de reacties daarop. Zo komen we veel te weten over de medische praktijken van zijn tijd. Talloze ziekteverschijnselen waren met de toenmalige kennis onmogelijk te verklaren en daarom werd de oorzaak niet zelden in het bovennatuurlijke gezocht. Soms was er bedrog in het spel want rare ziektes loonden. Wie stad en land afliep met een officieel certificaat dat hij of zij leed aan een nooit vertoonde aandoening of daarvan juist wonderbaarlijk genezen was, kon daar aardig mee verdienen.

Geneesheren zoals Wier waren altijd nieuwsgierig naar dergelijke gevallen, en konden niet zelden een bedrog onthullen. Eenvoudige waarneming leidde dan tot de vaststelling dat de non met de hysterische aanvallen ’s nachts geen bezoek kreeg van de duivel, maar van plaatselijke jongemannen; dat het duivelse stoffen uitbrakende meisje droge draden van wol in haar keelgat had gestopt; dat in de kippensoep van een onverklaarbaar zieke vrouw arsenicum was gestrooid door een boosaardig dienstmeisje.

Tranen

Wier was hevig geïnteresseerd in een tienjarig meisje dat nooit at of dronk. Haar ouders hadden een certificaat gekregen en werden overladen met geld en geschenken. Toen zij ook de hertog van Kleef om een ‘wonderbaarlijk ziek’- verklaring verzochten, greep Wier zijn kans. Het viel hem op dat het meisje tranen, urine en zweet afscheidde en dat moest toch ergens vandaan komen. Hij kreeg gedaan dat het meisje en haar zusje bij hem in huis kwamen wonen en toen bleek dat zij wel degelijk at en dronk.

Jan Wier was een tijdgenoot van zowel de hocuspocusgeleerde Paracelsus, die de oorzaken van ziektes in de stand der sterren zocht, als van Andreas Vesalius, de eerste systematische anatoom die over zijn vak een schitterend en invloedrijk boek publiceerde. Wier moest zijn weg vinden tussen al die overgeleverde onzin en empirie. Hij geloofde in de heilzame werking van de regenworm – desgewenst gekookt met venkel, citroenkruid, salie, engelwortel en koortskruid – en bij voorkeur gevangen rond kerkhoven. De bijbehorende drank diende men bij voorkeur in te nemen in de laatste drie dagen van de wassende maan. Tegelijk boekte hij resultaten met nuchtere observatie.

Vera Hoorens verheerlijkt haar hoofdpersoon niet. Ze maakt aannemelijk dat Wiers heksenboek niet in de eerste plaats tegen uitwassen van bijgeloof ging, maar dat het vooral een aanval was op de katholieke kerk. Hij benadrukte dat niet alleen bedenkelijke artsen aan heksenvervolging deden, maar vooral katholieke geestelijken. Wiers boeken werden wel goed verkocht, maar de heksenvervolgingen namen niet af en de katholieke kerk trok zich van zijn kritiek niets aan. Volgens Hoorens was Wier ook geen visionair psychiater.

Deze studie biedt een overstelpende hoeveelheid contextuele informatie. Hoorens’ behoefte om alle gevonden feiten ook op te nemen, om alle vorsten, artsen, geestelijken, en alle boeken, instellingen en steden die ter sprake komen uitvoerig toe te lichten, komt het boek niet ten goede. Elke bijfiguur krijgt een biografische uiteenzetting. Jan Wiers eerste uitgever, Johannes Oporinus uit Bazel was ongetwijfeld een interessante man. Maar Hoorens biedt ons een geschreven portret van acht bladzijden lang. Door dergelijke minibiografietjes mist het boek vaart en raakt Jan Wier zelf regelmatig uit zicht. Dat neemt niet weg dat wie zich door deze feitenmassa heen bijt een beangstigend inzicht krijgt in het medisch, theologisch en juridisch denken van de 16de eeuw.