Plant en dier vluchten in hoog tempo naar koelere oorden

Door de opwarming van de aarde zijn planten en dieren genoodzaakt hun leefgebied te verplaatsen naar koelere regio’s. Die verschuiving in de natuur gaat twee tot drie keer sneller dan eerder gedacht.

Planten en dieren reageren veel sterker op de opwarming van de aarde dan onderzoekers eerst dachten. Uit onderzoek dat vandaag is gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Science blijkt dat het leefgebied van soorten in tien jaar tijd gemiddeld 16,9 kilometer van de evenaar naar de polen is verplaatst, en dat hun leefgebied in berggebieden naar 11 meter hoger is verschoven.

Deze snelheden liggen respectievelijk drie en twee keer zo hoog als eerdere inschattingen. Omgerekend komt het tempo van de volksverhuizing in de natuur neer op 20 centimeter per uur.

De onderzoekers, onder leiding van de Britse ecoloog Chris Thomas van de York University, baseren hun conclusies op de bestudering van de verspreidingsgegevens van meer dan 2.000 soorten in Europa en Noord-Amerika, aangevuld met gegevens uit Chili, Maleisië en het vulkanische Marion-eiland in de Indische Oceaan. Het is een meta-analyse van eerdere studies naar de verspreiding van vogels, zoogdieren, reptielen, insecten, spinnen en planten. Er is een duidelijke relatie met klimaatopwarming, zeggen de onderzoekers. In gebieden waar de gemiddelde temperatuur in de laatste decennia het meeste steeg, zijn de soorten gemiddeld ook het hardst opgeschoven naar koelere milieus. „Deze verschuiving heeft in de laatste veertig jaar plaatsgevonden en zal zeker nog tot het eind van deze eeuw doorgaan”, zei onderzoeksleider Thomas vandaag in een toelichting.

In een reactie op de studie vraagt ecoloog Wim van der Putten van het Nederlands Instituut voor Ecologie zich af waarom de onderzoekers niet eerder met hun schatting op de proppen zijn gekomen. „Acht jaar geleden kwamen ze in het nieuws met het bericht dat soorten het tempo van de klimaatverandering niet kunnen bijhouden, maar nu schrijven ze zelf dat soorten er de pas in zetten. Daarmee achterhalen ze deels hun eerdere conclusies.” De nieuwe inschatting is volgens Van der Putten wel realistischer: „Het is wat we in de praktijk al zagen.”

Het berekenen van een wereldwijd gemiddelde van de soortverschuiving vindt hij echter wel „wat naïef”. Volgens Van der Putten varieert de verspreiding van verschillende soorten planten en dieren naar gelang de kenmerken van hun leefwijze. „Planten die zaden met pluizen maken, kunnen zich over grote afstanden verspreiden, maar soorten met zware zaden komen iedere generatie niet verder dan enkele tientallen centimeters.”

Bovendien speelt toeval een belangrijke rol, vooral bij lange-afstandstransport, zegt Van der Putten. „Als zaden met mensen meereizen naar noordelijker gebieden, kunnen planten ineens veel noordelijker een geschikt leefgebied vinden, waardoor hun verspreiding honderden kilometers kan opschuiven.”

Hoewel het onderzoeksresultaat voor Van der Putten „niet als een verrassing komt”, vindt hij het wel belangrijk dat nog eens wordt onderstreept dat er echt wat aan de hand is met het klimaat. „De natuur vertelt ons duidelijk dat er iets aan het veranderen is”, zegt hij. Hij hoopt dat dit resultaat „tegenwicht zal bieden aan rechtse denktanks en politici die klimaatonderzoekers in diskrediet proberen te brengen”.

De studie gaat niet in op het risico dat er soorten zullen uitsterven door de klimaatverandering, maar eerdere studies concludeerden dat ten minste 10 procent van alle soorten ter wereld in het gedrang komt door de opwarming.

Maar ecologen verwachten dat er behalve ‘verliezers’ ook ‘winnaars’ van de klimaatverandering zullen zijn. Door de verschuiving van de klimaatgordels kunnen planten en dieren zich ontworstelen aan hun natuurlijke vijanden en zo een plaag worden, zegt Van der Putten.

„Langs de snelwegen zie je bijvoorbeeld de eindeloze stroken met gele bloemetjes van bezemkruiskruid, een plantje dat oorspronkelijk uit Zuid-Afrika komt. Geholpen door de warmte begint het nu ook in Nederlandse natuurgebieden op te rukken. Een ander voorbeeld is bijvoet uit Zuid-Europa dat nu in de Nederlandse uiterwaarden woekert.”