Live fast die young

De populier is niet langer populair. Mensen vinden de boom lelijk en saai.

Maar de populier kan er ook niks aan doen dat hij altijd op lelijke plekken staat.

De populier, ook wel peppel genoemd, hoort bij het Nederlandse landschap als polders met kaarsrechte sloten en grijze wolkenluchten. Ze komen voor in het beroemde gedicht ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman, zij het als onbeduidende figurant. De eerste zinnen zijn bekend: ‘Denkend aan Holland zie ik / breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan’. Dan komt de peppel: ‘Rijen ondenkbaar / ijle populieren / als hooge pluimen / aan den einder staan’. Het roept niet direct het beeld op van een machtige woudreus. Marsman zet de boom eerder neer als een stel kleurloze kantoorklerken die bij een bushalte wachten op de volgende Connexxion.

De populier vervult Nederlanders niet met speciale gevoelens, zoals een ceder het hart van een Libanees sneller doet kloppen. Als de boom al ergens mee wordt geassocieerd, is het met rustplaatsen bij tankstations. Kijk maar op het blog van Sander Peters, waar hij schrijft over zijn aversie tegen de boom. Peters groeide op in de buurt van Uden en heeft sinds zijn vroegste jeugd iets tegen de populier. Eerst wist hij helemaal niet wat voor boom het was. „Ik wist wel dat ik ze erg lelijk vond”, vertelt hij. Op zijn achttiende ging Peters op onderzoek uit. „Zo kwam ik er via zo’n Prisma- bomenboekje achter; het is de populier waar ik een hekel aan heb.”

Fantasieloos en lelijk, dat vindt Peters van de boom. Hij ergert zich aan de mathematische precisie waarin ze zijn neergezet. „Van die dunne lange slierten in het land. Je vindt ze ook altijd op van die vervelende plekken. Op de parkeerplaats van bouwmarkten of bij benzinestations met vieze wc’s.” Eigenlijk is alles mis met de boom. Zelfs de blaadjes zijn fout. Ze glimmen en ruisen meer dan andere bomen.

Willem Rietveld, senior beleidsadviseur groen van Stadsregio Rotterdam, klinkt het bekend in de oren. Hij kent het imago van de boom. „Het publiek vindt over het algemeen een bos vol populieren verrekte saai.” Daarom worden bij het Lage Bergse Bos, aan de rand van Rotterdam, gezonde populieren gerooid. In hun plaats komen eiken en esdoorns. Dat geeft meer variatie.

Echt lelijk vindt Rietveld de populieren niet, al heeft hij er geen moeite mee gezonde exemplaren te kappen. „Een oude beuk, die kap je niet zo snel. Zo’n beuk heeft karakter. Maar ja, populieren worden nu eenmaal niet zo oud. Dus echt karakter zoals een beuk zullen ze nooit krijgen.”

Live fast, die young, dat lijkt het levensmotto van de populier. Want de boom staat bekend als een snelle groeier. Daarom was het de favoriete boom tijdens de wederopbouw. Gegarandeerd snel groen resultaat. Maar na vijftig jaar beginnen de problemen. De stam gaat rotten en takken breken af. Sommige exemplaren halen zo de honderd, maar veel bomen worden gekapt en steeds vaker vult een andere boomsoort het gat.

Zullen onze kenmerkende populierenlandschappen verdwijnen? Zullen de zeldzame nauwe korfslak, de wielewaal en de populierenzijdetruffel hun habitat verliezen? De Stichting Populier luidt op haar website de noodklok. Een grafiek op de homepage met het aantal geplante stekken laat de afgelopen jaren een scherpe daling zien. De stichting, met in de commissie van aanbeveling onder anderen Frank Houben, oud-commissaris van de Koningin in Noord-Brabant en volkszangeres Marie-Cécile, probeert de aanplant van populieren op peil te houden.

In het bestuur zit Piet Schriek, oud-burgemeester van de gemeente Sint-Oedenrode. Hij geeft toe dat de boom een imagoprobleem heeft. Maar volgens hem gaan de praatjes over de populier soms te ver. „Persoonlijk vind ik berken niks aan en ik ken heel veel mensen die populieren wel mooi vinden. De boom verdient beter.” De gelikte website van de stichting somt de voordelen op. Zo vervult de boom een belangrijke ecologische rol. Voor verschillende insecten is hij de gastheer. Zonder populier geen nauwe korfslak.

Ook Piet Rombouts van de Brabantse Milieufederatie is een liefhebber. „Als ik thuis op de bank zit, kijk ik zo op een populier. Ze staan overal rond mijn huis.” Hij weet wel waarom er zo veel in het Uden van Sander Peters staan. De boom hoort namelijk cultuurhistorisch gezien bij Brabant. „Als er vroeger een dochter werd geboren, gingen er een paar populieren de grond in. Als het meisje een huwbare leeftijd had waren de bomen kaprijp. Zo snel groeien ze.” De houtopbrengst, perfect voor het maken van klompen, betaalde de trouwerij. Ook lucifers worden van populierenhout gemaakt.

Maar tot zijn verdriet ziet ook hij steeds minder populieren in het Brabantse land. Als projectleider van de Populierenwerkgroep probeert hij daar in zijn vrije tijd iets aan te veranderen. In de driehoek Boxtel, Best en Schijndel houdt de werkgroep zich intensief bezig met het promoten van de boom. „Elk jaar planten wij tussen de twee- en drieduizend exemplaren.”

Al de goede bedoelingen nemen niet weg dat keuzes uit het verleden nu het imago bepalen. Na de oorlog is er te vaak gekozen voor de snelgroeiende populier. Het resultaat is een overkill. Daarnaast is de boom vooral functioneel ingezet, als windbreker langs akkers, rijbaanbeplanting of voor de houtproductie. Wat ook niet helpt, is dat de bomen allemaal klonen van elkaar zijn. Er worden voornamelijk stekken geplant. Omdat die van een moederboom komen, zijn ze genetisch gelijk. Daarom lijken populieren zo op elkaar.

Ook Flevoland is naast Brabant een typische populierenprovincie. Na de bepoldering gingen de bomen per rij de grond in. Het zijn nu gebieden waar niet graag wordt gewandeld. „In die tijd waren de budgetten beperkt”, legt Albert de Graaf uit. Hij is beleidsmedewerker Groen van de provincie Flevoland. „Ze werden met weinig fantasie neergezet, vaak met het idee later het hout te rooien.” Omdat de populier veel licht doorlaat krijgen planten op de grond de kans te groeien. Het resultaat is een bos waar de bomen strak in het gelid staan, met op de grond anderhalve meter brandnetels. „Niet echt wat je noemt een attractief bos.”

Daarom maakt ook Flevoland deze gebieden gevarieerder. Al wordt er vaak nog voor snelgroeiende boomsoorten gekozen. Bij een eik of een beuk begint er pas na honderd jaar wat vorm in te komen. „Voor die bomen geldt het gezegde: boompje groot, plantertje dood”, zegt De Graaf. „We leven nu eenmaal in een maatschappij waarin we niet gewend zijn om in dat soort periodes te denken.”

Sander Peters woont nu in Nijmegen. Aan de westkant van de stad heb je de polder, met populieren. Aan de andere kant beginnen de heuvels met andere soorten bomen. „Als we gaan wandelen, lopen we altijd richting de heuvels.” Maar Peters is wel wat milder geworden ten opzichte van de boom uit zijn jeugd. „De populier kan er eigenlijk ook niks aan doen dat hij altijd in rechte lijnen en op lelijke plekken staat.”