Jezus zonder hoofd

Correspondenten speuren deze zomer rommelmarkten af naar nationale obsessies.

Op de brocantes in Brussel verkopen de Franstaligen hun dure kleren voor weinig geld, die de Vlamingen graag kopen.

Op het Brusselse Vossenplein kun je soms ook één schoen kopen. „Van iemand met maar een been misschien?” zegt Jeannine Engelbosch (60) uit de Vlaamse kustplaats Nieuwpoort. Ze is zelf op zoek naar een dekseltje op een Japans potje en op een regenachtige dinsdagochtend vindt ze dat op de bekendste rommelmarkt van Brussel, maar het is stuk. Ze loopt langs een oud uniform van de Belgische verbindingstroepen, twee violen, een accordeon, dozen met boeken, strips en lp’s, een bakje met Belgische franks. Midden op het plein staat een elektrische pan, naast een paar gympen. „Om frieten te bakken”, denkt ze. Maar de man die de pan en de gympen wil verkopen, een Marokkaan, zegt dat het niet voor de frituur is. „Voor groenten. Hij doet ’t. Mosselen kunnen er ook in.”

Op het Vossenplein ligt echte rommel, maar ook antiek – elke dag. Een paar kilometer verder, in de Brusselse gemeente Anderlecht, is in het weekend een grote overdekte rommelmarkt waar je ook kippen kunt kopen, groente en fruit, wc’s, gereedschap, lingerie en waar kinderen in een draaimolen kunnen stappen met echte pony’s – die de hele zondagochtend niets anders doen dan kleine rondjes lopen. Kenners weten dat je voor mooie tweedehands kleren op de rommelmarkten in de Vlaamse gemeentes rond Brussel moet zijn. Vlamingen die daar wonen kunnen flink klagen over Franstalige buurtgenoten die in cafés en bij de bakker hun bestellingen in het Frans doen. Maar het zijn dezelfde Franstaligen die op brocantes hun dure kleren voor weinig geld aanbieden – die de Vlamingen graag kopen.

In Vlaanderen hoort een rommelmarkt bij het feestgevoel, zegt Katrijn D’hamers van het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO. Er was een rommelmarkt op de Vlaamse kermis die de leden van de Mechelse motorclub Outlaws deze zomer organiseerden – ze wilden de buurt tonen dat ze niet gevaarlijk of raar zijn. Er zijn rommelmarkten op bijeenkomsten van de Vlaamse Gezinsbond en daar kun je dan tweedehands babyspullen kopen. En ze zijn er als er een braderie is, een optocht of een buurtfeest, en soms als een folkloristische vereniging een jubileum viert. Vlamingen vinden een rommelmarkt gezellig, zegt D’hamers, die is gespecialiseerd in ‘feestbeleving’ in Vlaanderen. En het past bij het rijke Vlaamse verenigingsleven.

Ze weet niet of de Franstalige Belgen net zoveel van rommelmarkten houden. Jeannine Engelbosch uit Nieuwpoort, die een Japans dekseltje zocht op het Brusselse Vossenplein, weet het ook niet. Ze gaat zelf bijna elke maand naar een rommelmarkt, ook weleens in Frankrijk als ze met vakantie is, maar nooit in Wallonië.

Een Franstalige, Brusselse student die net een Mariabeeld heeft gekocht met een kleine Jezus (maar zonder hoofd, prijs: 5 euro) zegt dat ze vaak in Wallonië naar rommelmarkten gaat, net als bijna al haar vrienden. Maar nooit in Vlaanderen. Er is ook een website die ‘brocantes de Belgique’ heet en lange lijsten met adressen geeft – in Brussel en Wallonië. De Vlaamse provincies staan wel op het plattegrondje dat de website toont, maar ze zijn niet aan te klikken.

In de overdekte markt van Anderlecht staat Melanie Bruggeman (68) op zaterdagochtend al om half acht bij een kraam met geblokte keukenschorten. De verkoper, een Franstalige, laat haar er een zien. Ze zegt dat ze die te groot vindt. De verkoper pakt een ander schort, hij vraagt in het Nederlands of die misschien beter is. Melanie Bruggeman twijfelt, ze koopt niks.

Ze twijfelt altijd, zegt ze als naar een andere kraam loopt. Melanie Bruggeman werkte op de administratie van een Vlaams textielbedrijf en woont in Dilbeek, in de Vlaamse rand rond Brussel. Zij is zo’n Vlaamse die het moeilijk vindt dat er veel Franstaligen in haar buurt komen wonen. „Het is niet plezant”, zegt ze. „Ze leren geen Nederlands.”

Op de markt van Anderlecht voelt ze zich ook niet op haar gemak, maar dat heeft niets met taal te maken. Ze spreekt er Nederlands en de meeste Franstalige verkopers verstaan haar. Ze wijst naar een fruitkraam met een Vlaamse eigenaar – hem kent ze goed. Vijf jaar geleden werd bij zijn kraam haar portemonnee uit haar tas gestolen. Nu komt ze alleen nog ’s ochtends vroeg, als het rustig is. En eigenlijk komt ze liever niet meer. Maar vandaag was ze op zoek naar haakjes om handdoeken op te hangen in de keuken en met haar 65-pluskaart reist ze gratis met het openbaar vervoer. „Anders stond ik hier niet.”

Een dag later, op zondag, is de markt groter. Een boer uit West-Vlaanderen verkoopt kippen, duiven en ganzen die in kleine hokjes dicht op elkaar zitten. Schuin tegenover hem roept een verkoper dat hij de mooiste en goedkoopste bh’s verkoopt. Hij draagt een pruik in de kleuren van de Belgische vlag. Hij spreekt een beetje Frans, geen Nederlands – hij komt uit Spanje. Of hij van België houdt? Ja, veel. Of hij de politieke problemen in het land kent? Nee. „Maar ik doe hier goeie zaken.”

    • Petra de Koning