Hond eet men doorgaans 's winters

Wie op zoek gaat naar iets groots zoekt in wezen naar zichzelf, vindt Paul Theroux. Hij schreef eerder een reisgids voor de thuisblijver dan een echte reisgids. En staan ook de boeken die hem inspireerden.

Paul Theroux: The Tao of Travel. Penguin, 287 blz. € 16,-

Ik ga op reis en neem mee… Het is een standaardspelletje voor kleuters waarmee hun geheugen getest kan worden, en impliciet kom je er ook achter welke kleuters zo lief zijn om te zeggen dat ze hun mama en papa mee op reis nemen. Beroepsreisschrijvers blijken zich er ook mee bezig te houden. Niet dat ze dat spelletje met hun collegae zullen doen, maar in hun boeken vind je vaak rijtjes. Zo heeft V.S. Naipaul meestal van alles en nog wat bij zich, vooral soorten kledij – verschillende katoenen broeken, grijs of beige – zodat hij altijd goed voor de dag kwam bij zijn minnares. Henry Miller nam standaard een koevoet mee, en de Australische schrijver Bruce Chatwin vertrok niet zonder muesli. Misschien deed Chatwin dat wegens een overgevoelige maag of was hij niet dol op eendenembryo’s of gebakken spreeuw. Uit The Tao of Travel van Paul Theroux blijkt in ieder geval dat de variëteit aan voedsel enorm groot is voor wie geen muesli bij zich heeft.

Zo kun je in bijna heel Zuidoost-Azië gekookte hond eten, schrijft Theroux. Het is overigens een seizoensgebonden gerecht: ‘Hondenvlees wordt beschouwd als bloedverwarmend, en wordt daarom overwegend in de winter gegeten.’ In Alaska is het goed om te weten dat van de beer de voet smakelijker is dan de rest. En wie door midden-Afrika reist zal ongetwijfeld aap te eten krijgen, de Diana Fosseys en Jane Goodalls van deze wereld ten spijt.

Gevaarlijk

Reizen is trouwens een gevaarlijke bezigheid, niet alleen voor het lichaam maar ook voor de geest. John Hanning Speke, de ontdekker van de bron van de Nijl, schoot zichzelf neer. De Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen was suïcidaal, de Schot Robert Scott had last van huilbuien en Livingstone had een manisch depressieve obsessie met zijn ingewanden. Dat is allemaal vrij logisch, legt Theroux uit: wie op zoek gaat naar iets groots – bijvoorbeeld de oorsprong van de Nijl – is in wezen op zoek naar zichzelf. Maar wie net op zijn reisbestemming is aangekomen, heeft nog niet zichzelf gevonden.

Het is een grote conclusie voor de fijne weetjes die Paul Theroux met zijn lezers deelt in The Tao of Travel, een boek vol citaten over reizen, met fragmenten van collega-schrijvers en Theroux zelf. Ze zijn verzameld aan de hand van een bepaald thema (treinreizen, individueel of samen reizen, duur van de reis, etc.). Dit maakt het boek eerder een reisgids voor de thuisblijver dan een echte reisgids: Theroux maakt duidelijk welke boeken hem hebben geïnspireerd. En dat zijn er veel, want Theroux is niet van de straat, en dat zal hij iedereen laten zien ook. Bovendien maakt hij duidelijk dat reizen niet voor iedereen is, maar een kunst op zichzelf. Wel een kunst die je kunt leren overigens. Theroux legt uit hoe je een goede reiziger kunt worden. Het komt er op neer dat je zo veel mogelijk als Paul Theroux moet zijn.

De echte Theroux-reiziger reist per trein (dat levert de meeste boeken op) en koopt of huurt ter plekke een pakezel. Je gaat daarheen waar de toerist juist niet heen gaat, je laat je mobieltje thuis, maar neemt wel een kortegolfradio meeom op de hoogte te blijven van het wereldnieuws en het locale weer. Het is vooral zaak om zo min mogelijk bij je te hebben. De echte reiziger laat zich niet ontmoedigen door taalbarrières. En mocht je een goede binnenkomer willen hebben in bijvoorbeeld Zuid-India, dan is het handig om een klein kind mee te nemen want dat geeft aan dat je vertrouwen hebt in de goede wil van de gemeenschap.’

Korrel zout

De Theroux-reiziger is niet bang, want bijna alle verhalen over gevaarlijke gebieden kun je met een korrel zout nemen: Paul Theroux is overal geweest en heeft nog nooit problemen gehad. Ja, uit steden als Bagdad of Kabul kun je nu beter even wegblijven, maar dat is evident. De gevaarlijkste steden zet Theroux wel op een rijtje, waarbij hij naast voor de hand liggende plaatsen als Nairobi en Addis Ababa ook heel Engeland opneemt. Dat is een levensgevaarlijk gebied op zaterdagmiddagen, vlak na de voetbalwedstrijden. Gelukkig verzamelt Theroux naast gevaarlijke plaatsen ook de plekken van geluk en verleiding.

Je hebt boeken om van A tot Z te lezen, je hebt boeken voor de koffietafel, en boeken voor op de wc, legde The New York Times uit, om vervolgens dit boek zonder aarzeling in de laatste categorie te plaatsen. Een fijn thematisch bladerboek, maar niet zonder pretentie. Want als je nuchter bekijkt wat Theroux heeft gedaan, sta je versteld over zoveel arrogantie. Van alle gekozen reisverhalen en fragmenten valt op dat verreweg de meeste van Paul Theroux zelf zijn. Dat kan ook niet anders, blijkt uit het omslag, waarop The Observer geciteerd wordt: ‘Theroux is de reisschrijver aan wie alle reisliteratuur afgemeten kan worden’.

Je kunt ook zeggen dat Theroux er voor kiest om op twee manieren te vertellen over zijn reizen: enerzijds doet hij verslag van zijn eigen ervaringen en zijn eigen reisgeschiedenis, anderzijds is het ook een mentaal reisverslag. The Tao of Travel is een staalkaart van de stukken die hem als schrijver en reiziger hebben gevormd.

Het boek is niet zo onmisbaar als het misschien zou willen zijn: het is te fragmentarisch om de lezer tot het diepe zen-inzicht te leiden dat de titel belooft. En je hoeft het ook niet per se mee te nemen op reis, zeker niet als kleuter. Maar wie zich als reiziger een momentje de geroutineerde Theroux wil wanen, kan met dit boek even diens markante bril opzetten.