Hij zal ze in zijn eigen potje koken, de rapen moeten gaar

In Het Bureau zal hij voor eeuwig levenWist Maarten Koning toen hij binnentradBij Beerta op een dag in onze stad,Dezelfde uit De avonden van Reve.

Pretenties had hij daarbij niet gehad,

Een carrière vond hij overdreven.

De volkskunde stond matig aangeschreven,

Een vak van niets; dat leek hem dus wel wat.

‘Je lijkt wel gek dat je opnieuw gaat werken’,

Zei Nicolien, zijn vrouw. ‘Je bent een zak!’

Ze had gelijk, al liet hij dat niet merken.

‘Dan kan je net zo goed onder de zerken.

Je blijft maar thuis, bij mij op je gemak.’

Soms wenste Maarten ander onderdak.

Was hij maar nooit bij Het Bureau gebleven,

Een onweersbui die niet meer overdrijft,

Verzuchtte Maarten bleekjes en verstijfd,

Alsof hij elk moment kon overgeven.

‘Ik wil niet dat je daar nog langer blijft’,

Zei Nicolien. ‘Zo kan een man niet leven.

‘t Is gekkenwerk! Is het niet overdreven,

Een man die over de kabouters schrijft?’

Hij zocht naar woorden, vond alleen verkeerde;

Voor goede woorden was hij nu te zwak.

Ze moest eens weten wat hem zo verteerde:

Hoe raker zij zijn vakgebied typeerde,

Hoe meer het vak zijn zwakke weerstand brak.

Hij zag dat Het Bureau de kop opstak.

Uit woede heeft hij alles opgeschreven

Wat ook maar aanleiding tot schrijven gaf.

Hij breekt over dat rot-Bureau de staf.

Hij is er niet voor niets zo lang gebleven.

Als een hyena vliegt hij op ze af.

De mooiste dertig jaren van zijn leven

Heeft hij aan de kabouters weggegeven.

Hij zal ze laten draaien in hun graf.

Hij denkt eraan een boekje na te laten...

Vilein neemt hij het volkje op de hak

In hoe ze handelen en hoe ze praten.

Zo’n boek bezorgt zijn oude bureaucraten

Op Het Bureau bij lezing een attaque.

Wat is de volkskunde een prachtig vak!

Het alledaagse leven zo beschrijven

Is wat een man het meest voldoening schenkt

Als hij aan al die grote zakken denkt

Die als migraine komen bovendrijven.

Ze hebben hem tot in z’n ziel gekrenkt

Met hun gedoe; het zijn net ouwe wijven

Die op een kransje aan het praten blijven.

Ellende is wat mensen samenbrengt.

Waar mensen samen werken kan het spoken,

Zo merkte Maarten in die dertig jaar.

’t Bureau moet nu voor eens en al gewroken.

Al die ellendelingen bij elkaar!

Hij zal ze in zijn eigen potje koken,

Tot op het bot – de rapen moeten gaar.

Op zekere kantoordag van het jaar

Is in de boekhandels van onze steden

En dorpen Maarten Koning overleden.

Met zeven delen was het einde daar.

Bij leven was hij geen geweldenaar,

Een proefschrift schrijven heeft hij steeds gemeden.

Hij stierf zoals hij leefde: ontevreden.

Maar voor de boeken was dat geen bezwaar.

Integendeel, ze waren niet geschreven

Indien de antiheld van Het Bureau

Zijn leven lang gelukkig was gebleven.

Voor hem geef ik de volkskunde cadeau

En neem mijn hoed af aan het graf. Chapeau!

In Het Bureau zal hij voor eeuwig leven.

J.J. Voskuil: Het Bureau. Van Oorschot. 7 delen.

    • Onno Kasteelen