Opinie

    • Sjoerd de Jong

Goed nieuws: minder anonymi (in 2 kranten)

Daar waren ze weer – de anonieme bronnen.

Bij een grote broek hoort ook een gezicht, zeker voor politici

In de driftige affaire rond Mariko Peters gingen ze op verschillende manieren aan het werk. Naamloze collega’s van het Kamerlid maakten zich kwaad dat zij maar aanbleef (‘Aanblijven Peters stoort parlement’, De Telegraaf), andere anonymi meldden dat het verliefde gedrag van Peters op haar post in Kabul alom was opgevallen (‘Iedereen wist van relatie Peters’, de Volkskrant).

Anoniem kun je één bron niet meer noemen: de ex-vrouw van Peters vriend Robert Kluijver, die door hem was verlaten voor het Kamerlid. Maar wie waren die „diverse bronnen” die in Kabul een open oog hadden voor het flirtende stel? En al die boze Kamerleden? Zoveel anonieme bronnen samen wekken de indruk van een campagne.

Een eerste regel bij anonieme bronnen moet zijn, dat hun informatie wordt geverifieerd. Het moet kloppen. HP/De Tijd en de Volkskrant gebruikten daarvoor onder meer de e-mails van Peters, die zelf in eerste instantie geen commentaar wilde geven. Onderzoek van Buitenlandse Zaken heeft inmiddels geconcludeerd dat Peters haar gevoelens voor Kluijver eerder had moeten melden, maar dat haar advies over zijn subsidie integer was. De vraag is dan, hoe je die feiten weegt.

Maar een andere regel is minder goed gevolgd: geef de lezer een indicatie van de positie van je bron. En leg uit waarom die anoniem moet blijven. In het artikel over de diplomate in Kabul werd één bron omschreven als „een lid van het ambassadepersoneel uit die periode”. Nou ja, dat is tenminste iets. Maar wat hebben we aan de ergernis van „een VVD’er”, „een SP’er” en „een PVV’er”, zoals in De Telegraaf? Voor Kamerleden zal het natuurlijk prettig zijn dat ze anoniem hun irritatie mogen ventileren over een collega. Alleen, juist daarom moeten media, ook deze krant, er niet aan meewerken: bij een grote broek hoort ook een gezicht.

Die regels zijn ook te vinden in een nieuw onderzoek naar het gebruik van anonieme bronnen, door de Association for Education in Journalism and Mass Communication. Niet eerder is daar zo’n longitudinaal onderzoek naar gedaan. Onderzoekers Matt Duffy en Ann Williams namen een uitgebreide steekproef uit de voorpagina’s van The New York Times en The Washington Post van 1958-2008, met een interval van telkens tien jaar. In totaal werden 1.283 artikelen onderzocht.

Het resultaat is opmerkelijk.

Want wat blijkt? Het gebruik van anonieme bronnen in de kranten is de laatste decennia in die kranten niet toegenomen, maar juist afgenomen. Het bevindt zich nu weer ongeveer op het niveau van 1958, toen 25 procent van de voorpaginastukken zo’n bron bevatte. Dat is een sterke daling vergeleken met de hoogtijdagen van de anonieme bron, de jaren zeventig (in 1978 in 50 procent van de voorpaginastukken!). In de jaren tachtig en negentig daalde het gebruik van anonymi al iets, tot zo’n 40 procent.

Waarom die piek in de jaren zeventig, die nog steeds gelden als ‘het Gouden Tijdperk’ van de pers? De onderzoekers zien een verband met de publicatie van de Pentagon Papers en het Watergate-schandaal (en met de wereldfaam van de jonge onthullers Woodward en Bernstein). Die gaven een enorme impuls aan het gebruik van ‘betrouwbare bronnen’. Iedere student journalistiek droomde nog jaren later van een eigen ‘Diepe Keel’.

Sindsdien, concluderen de onderzoekers, zijn journalisten zich weer bewust geworden van de valkuilen van die praktijk: eenzijdigheid, manipulatie, oude rekeningen, wraak als koud gerecht. Een eerste breuklijn was de affaire rond Janet Cooke, een ambitieuze verslaggeefster van The Post die in 1980 een schokkend, anoniem verhaal over een minderjarige junkie – waar ze een Pulitzer mee won – bleek te hebben verzonnen.

De hoofdredacties van de kranten hebben de richtlijnen voor anonieme bronnen sindsdien aangescherpt, al beseft iedereen dat helemaal uitbannen een illusie is – en ook nadelig zou zijn voor de journalistiek. Sómmige verhalen komen nu eenmaal nooit boven water zonder anonieme informanten.

Dat maakt goede regels cruciaal. Duffy en Williams formuleren er drie, die ze ook in de praktijk hebben getoetst. Allereerst moet informatie van anonieme bronnen zoveel mogelijk elders worden gecheckt. Voorts moeten journalisten hun lezers enige indicatie geven van de deskundige positie van de bron. En ten slotte moeten media uitleggen waarom de identiteit van een bron zo delicaat is dat hij anoniem mag, of moet, blijven.

Uit het onderzoek blijkt dat de twee kranten zich redelijk aan die regels houden. Journalisten verifieerden informatie van anonieme bronnen in 2008 meer dan ooit tevoren; er wordt vaker uitgelegd waarom een bron anoniem is (al gebeurt dat nog veel te weinig); en de positie van anonieme bronnen wordt concreter omschreven.

Het onderzoek logenstraft dus de veel gehoorde verzuchting (ook van ombudsmannen) dat anonieme bronnen steeds meer oprukken. Althans: in de twee onderzochte, prestigieuze Amerikaanse kranten. Dus niet te vroeg gejuicht. Misschien is het een goed idee om zo’n onderzoek ook eens in Nederland te laten doen.

Niet anoniem, natuurlijk.

    • Sjoerd de Jong