Gelukkig hadden de 'idioten' wel een reine ziel

Het internaat Sint Joseph, waar 34 jongens stierven, fungeerde als bewaarplaats.

De geestelijk gehandicapte kinderen werden er verborgen voor ‘buitenstaanders’.

Een voortdurend gevecht tegen vuil, stank en gekerm. Zo omschrijft historica Annemieke Klijn de dagelijkse gang van zaken op de afdelingen met de meest zwakzinnige patiënten op de instituten Sint Joseph en Sint Anna in Heel, zo’n zestig jaar geleden. Kinderen waren druk en vernielzuchtig, of verlamd, mismaakt of spastisch. Tot intens contact kon het niet komen: afdelingen werden bestierd door een of twee broeders of zusters. Hooguit drie, als er meer dan zestig kinderen op één zaal lagen.

Aan kinderen met enige capaciteiten werd zo nu en dan gevraagd mee te helpen in de verpleging. Maar die kinderen deden soms maar wat en wekten door hun uitzonderingspositie bovendien jaloezie op.

Het niveau van de geestelijken zelf was voor diverse buitenstaanders reden tot zorg, blijkt uit het in 1995 verschenen boek van Klijn, Tussen caritas en psychiatrie. Lotgevallen van zwakzinnigen in Limburg 1879-1952. Zelfs een door de bisschop van Roermond ingestelde adviescommissie twijfelde in 1946 over de verstandelijke vermogens van de broeders. Het bestuur van Sint Joseph schreef daarop een brief op poten. De bisschop hoefde zich niet ongerust te maken. En: ‘Inmenging van buitenstaanders’ werd niet geaccepteerd. Ook inspecties van het Rijk kwamen in de jaren 40 en 50 nog niet binnen in Heel.

De oversten hadden het voor het zeggen. ‘Op zaal’ maakten de daar werkzame geestelijken de regels. Niemand van hen had zich ooit verdiept in psychiatrie. Op de ziekenafdeling van Sint Joseph werkte één gediplomeerde verpleger, totdat deze in 1951 ontslag nam. De huisarts en een consulent-psychiater kwamen in de regel eens in de twee weken langs. Over veel gevallen werden ze slechts gebrieft door de geestelijken. Medici hadden vaak een wat fatalistische houding tegenover zwakzinnigheid. Genezing was immers niet mogelijk. Medicatie werd nog nauwelijks gegeven.

De geestelijken zagen wel een taak voor zich weggelegd: zieltjes tot God brengen. Ze spraken vaak met liefde over de kinderen en noemden hen „engeltjes”. Hun toegang tot de hemel leek verzekerd: volgens de katholieke leer beschikten ‘idioten’ over een reine ziel.

Met in de hoogtijdagen zo’n duizend bewoners, was het meisjesinternaat Sint Anna twee keer zo groot als Sint Joseph. De instituten groeiden hard. De naoorlogse babyboom werkte ook in Heel door. Meer dan de helft van de kinderen kwam van buiten Limburg. Pas in de loop van de jaren 60 professionaliseerde de hulpverlening. Tot die tijd fungeerden de instellingen als bewaarplaatsen. Kinderen hielpen naar vermogen mee om de boel draaiende te houden. Wie goed functioneerde, kreeg geen andere taken, maar bleef het zo noodzakelijke werk verrichten. Op Sint-Joseph werkten jongens in ploegen aan onderdelen voor pick-ups van Philips. Een vader klaagde over ‘een jaag-systeem’. Bij het ministerie van Justitie kwamen begin jaren 50 klachten binnen over de werkdruk.

Speciaal onderwijs bestond aanvankelijk niet op de instituten. Sint Joseph kreeg in 1950 een school, Sint Anna pas tien jaar later. Voor godsdienstig onderwijs werd een uitzondering gemaakt. Kinderen met voldoende oordeelsvermogen mochten hun Heilige Communie doen. De huisarts stuitte op een ‘imbeciel’ die de catechismus uit het hoofd kende en sprak in zijn dossier over ‘dressuur’. ‘Godsdienstig goed afgericht’, concludeerde hij.