De Uitspraak: Mag de minister Roemeense arbeiders weigeren omdat er ander aanbod is?

Mag de minister tijdelijke werkvergunningen weigeren aan Roemenen omdat er voldoende Nederlandse of arbeiders uit andere EU landen beschikbaar zijn? Met commentaar van NJB-medewerkers Inge van der Vlies, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam en Michiel van Emmerik, universitair hoofddocent staatsrecht aan de Universiteit van Leiden.

De Zaak. Een boomkweker wil graag zes Roemenen gedurende een half jaar in zijn bedrijf laten werken als ‘medewerker boomteelt/vaste planten’. Het UWV wil niet verder gaan dan maximaal drie maanden. De kweker spant een kort geding aan.

Wat is hier aan de hand? Minister Kamp (Sociale Zaken, VVD) wil minder arbeidsmigranten uit Oost-Europa voor ongeschoold werk. Voor de zomer kondigde hij aan Bulgaren en Roemenen, uit landen die nog geen recht hebben op vrij verkeer binnen de Europese Unie, te weigeren. Nederlandse werklozen of EU-migranten zoals Polen zijn volgens hem ruimschoots beschikbaar. Een Kamermotie om Bulgaren en Roemenen toch toe te laten, legde Kamp naast zich neer.

Hoe onderbouwt de kweker zijn eis? De minister nam zijn besluit onverwacht en zonder overleg. De staat is te rigoureus. Zijn kwekerij draait voor een ‘zeer substantieel deel’ op Roemenen en Bulgaren. De alternatieven van de minister bestaan niet en hebben in voorgaande jaren niet bestaan. De uitzendbureaus die de minister aandraagt, leveren of te weinig werknemers of tegen een onredelijk hoog tarief. Van Nederlandse werklozen is gebleken dat met hen niet te werken valt. De minister handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Hoe oordeelt de rechter? Die stelt vast dat de staat nu anders over de beschikbaarheid van andere werknemers dan Bulgaren en Roemenen denkt dan tot voor kort. Dat zou een inbreuk kunnen zijn op het toelatingsverdrag uit 2005 om niks aan de toelatingspraktijk te veranderen. Maar dat voert te ver voor een kort geding en dus laat de bestuursrechter deze vraag zitten.

Bestaat die alternatieve arbeid nu wel of niet? Daarover is de rechter zeer duidelijk. Dat die uitzendbureaus arbeiders kunnen leveren ‘is op geen enkele wijze onderbouwd of gebleken’. De staat heeft ‘ondanks uitdrukkelijk en herhaald verzoek’ geen inzage gegeven in een onderzoek daarnaar. Aan tuinders die uitzendbureaus benaderen, worden onverantwoord hoge tarieven gevraagd van 1.000 euro per werknemer. Terwijl deze ondernemers op een internationale markt werken waar veel concurrentie is en de winstmarges zeer klein zijn.

De staat heeft onvoldoende gemotiveerd dat andere arbeiders te vinden zouden zijn. Ook van de manier waarop de overheid het alternatieve aanbod organiseert klopt weinig. De lijst verplicht te raadplegen uitzendbureaus is herhaaldelijk gewijzigd, waarmee de werkgevers ‘nodeloos op het verkeerde been worden gezet’. De officiële website voor seizoensarbeiders belooft meer dan wordt waargemaakt. Als daar een cv op staat, wil dat niet zeggen dat de betreffende persoon ook echt wil werken.

Ook het aanbod bij het UWV is vooral theoretisch. De overheid doet daar niets aan, terwijl „die in de bemiddeling naar arbeid van in dit bestand voorkomende werkzoekende toch een bijzondere taak heeft”. Het „enkele streven” om werklozen in de tuinbouwsector seizoensarbeid te laten doen, „is niet voldoende”.

Kortom, het besluit is niet voldoende zorgvuldig voorbereid, ontbeert een „draagkrachtige motivering”, is strijdig met het vertrouwensbeginsel en strijdig met het beginsel van evenredige belangenafweging. Een harde afstraffing dus.

Lees hier de uitspraak (LJ BR 2778) Lees ook de discussie op het weblog publiekrecht en politiek, hier. En hieronder een item van omroep Brabant over het proces.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=Bbwp4igmq4A[/youtube]

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

    • Folkert Jensma