De ellende begon toen de mens intelligenter werd

Cover van het boek Het taoïsme en de bevrijding van de geest van Wunengzi

Wunengzi: Het taoïsme en de bevrijding van de geest. Vert. Jan de Meyer. Augustus, 159 blz. €19,95.

De aandacht voor het taoïsme blijft doorgaans beperkt tot de vroegste auteurs, zoals Laozi en Zhuangzi. Daardoor ontsnapt veel moois uit latere tijden aan onze blik. De Vlaamse sinoloog Jan de Meyer, die al eerder de Liezi heeft vertaald, een andere taoïstische klassieker, kan als geen ander ons op zulke verborgen juweeltjes wijzen. Nu presenteert hij een relatief onbekend gebleven 9de-eeuws werk, gepubliceerd onder het veelzeggend zelfrelativerende pseudoniem Wunengzi, ofwel ‘Meester Nietskunner’.

De ’Wunengzi’ is in 887 geschreven, in het late T’ang-tijdperk, waarin literatuur en schilderkunst een ongekende bloei doormaakten, en waarin taoïsme en boeddhisme door de heersers werden gesteund. Vooral het taoïsme was populair: sommige vorsten beweerden zelfs van Laozi af te stammen. Pas in de daaropvolgende Song-dynastie zou een herzien confucianisme tot de dominante Chinese levensleer worden; die rol zou het tot in de vroege 20ste eeuw behouden.

Tijdens de T’ang-periode ontstond in China ook het zogeheten Chan- of Zenboeddhisme, ruwweg uit de versmelting van de boeddhistische notie van leegte en de taoïstische nadruk op wu wei, of intentieloos handelen. Verrassend is echter dat Wunengzi nergens met zoveel woorden op het boeddhisme ingaat, en zijn kritiek vooral op Confucius richt. Hij verzet zich tegen alle menselijke conventies aangaande normen en betekenissen; ook de confucianistische opvatting van de ‘correctie der namen’ (zheng ming) als de basis van succesvol regeren maakt bij hem plaats voor een verwerping van elke qiangming, of ‘opdringen van namen’.

Als een Chinese Rousseau lijkt Meester Nietskunner een terugkeer naar de natuur te prediken: ook dieren, benadrukt hij, handelen spontaan en zonder intenties. De ellende begon voor de mens doordat zijn intelligentie toenam: daaruit ontstonden de menselijke conventies die de natuur geweld aandoen, de menselijke onderscheidingen die slechts aanzetten tot jaloezie en haat, en de confucianistische deugden als medemenselijkheid en plichtsbesef. Alle eerbetoon, ambten en adellijke titels, verkondigt hij, zijn slechts bedrieglijke praatjes: de ware edele verbergt juist zijn kracht, en lijkt op een dwaas.

Deze insteek kun je cynisch of anarchistisch noemen; maar ze is niet revolutionair. Even goed kun je de Wunengzi lezen als berustend in de wereldse macht van het moment. In deze tijd was immers de omgang met de machthebbers lucratief maar levensgevaarlijk.

Het verbergen van je ware kracht is echter niet alleen een overlevingsstrategie in barre tijden, het weerspiegelt ook een aanvaarden van de onontkoombare afwisseling van yin en yang, en van het Chinese kosmologische principe dat alles uiteindelijk in zijn tegendeel verkeert. Daarin past ook het taoïstische idee van wu wei: het menselijke handelen moet spontaan en niet doelgericht zijn. Het niets kunnen en niets doen is in harmonie met de veranderlijkheid van de wereld, en weerspiegelt zo de werking van de taoïstische weg.

Nieuw is dat het wu wei hier wordt aangevuld en uitgebreid met een notie van wu xing, ‘zonder hart’, die ook in het zenboeddhisme prominent is: ze duidt op het vrij zijn van intenties en begeerte. Ook elders weerspiegelt de Wunengzi het boeddhistische idee van de begeerte als de uiteindelijke oorzaak van alle menselijke ellende: ‘Of je kiest voor wu wei beslis je zelf; of je kiest voor begeerte beslis je zelf. Wu wei leidt tot kalmte, begeerte leidt tot dadendrang.’

De Wunengzi is echter niet alleen betogend: het tweede deel ervan bevat verhalen over wijze voorgangers, en het derde biedt een aantal dierfabels die je ook voor je plezier leest – en dat kun je lang niet van elke filosoof zeggen. De Wunengzi is, gemeten naar hedendaagse maatstaven, evengoed literatuur als filosofie te noemen.

    • Michiel Leezenberg