De bitterheid zette zich af als droesem in mijn ziel

Mijn vrouw is dood en begraven. Ik heb haar vermoord. Het is me volkomen duidelijk hoe ik allengs zover ben gekomen. Ik heb zo’n dwingende lust dit te vertellen, dat ik het zal opschrijven. Daartoe zal ik opklimmen tot de eerste ervaringen die mijn duistere binnenste ontsluieren.

Op school was ik verloren en verlaten als een konijntje tussen vijandige wilde beesten. Met instinctieve schuwheid meed ik grotere jongens. [...] Allengs kwam ik op een leeftijd dat mijn gedachten enkel het andere geslacht betroffen. Schetterende marschmuziek bezorgde mij driestheid, en ik lei mijn hand op de mooie witte vingers van de dochter van de bovenmeester. Doch mijn lafheid verlamde mijn lust de kleren af te rukken van de blankheid die ik naast me vermoedde.

Ik maakte mij diets dat de toekomst alles zou veranderen. In het buitenland zou ik erotische avonturen vinden die mij hier wegens de fouten in mijn karakter ontzegd bleven. Ik zwierf door Brussel, tot ik eindelijk een publiek huis vond waarvan het geboden genot mij enige uren tevreden stelde en mij uitputte als was ik een teringlijder. [...] Nadat ik had ingezien dat het talent voor avonturier mij ten enenmale ontbrak, moest ik wel concluderen dat een geregeld huwelijksleven mij toegang zou verschaffen tot de maatschappij. De dochter van mijn voogd was de enige vrouw tot wie ik toegang had. Door mijn gemak van liegen slaagde ik erin man-van-de-wereld te spelen, en soezelden wij weg in een huis met zware gordijnen, terwijl de dagen in nevelen wegzwalpten.

Er werd een wurm geboren; het stierf na anderhalf jaar. Tussen de brauwen van Anna nestelde zich een diepe gleuf, haar blauwe ogen priemden verongelijkt. Bitterheid zette zich als droesem af in mijn ziel. O, als zij mij toch toegestaan had haar mijn bezwaard gemoed toe te vertrouwen, dan was alles anders gelopen! [...]

Toen ik genoegzaam mijn zelfhaat tot kunst had verheven, was de tijd gekomen mijn roman een grootse finale te bereiden. Door jalouzie eindelijk tot daadkracht gedreven, goot ik het slapende schepsel chloraal tussen de lippen. Was er dan toch eens iemand geweest die mijn derrière onzacht met zijn schoeisel had beroerd... Dan was alles anders gelopen!

M. Emants: Een nagelaten bekentenis. € 7,50

    • Robert Loeber