Blijf puzzelen, blijf praten

‘Een levendige geschiedenis’ luidt de ondertitel van dit boek over verveling. Terecht, vindt een romanschrijver die al lezende werd overvallen door sympathie met de verveelde medemens.

De woonkamer, een schilderij van Balthus uit 1941-'43

Peter Toohey: Boredom: A Lively History. Yale University Press, 224 blz. € 25,- (geb.)

De eerste keer dat ik me verveelde, herinner ik me levendig, zoals het vaak gaat met het voor de eerste keer voelen van iets dat er wezenlijk toedoet. Eind jaren vijftig, ik was zeven, bij ons in de straat stond er maar in twee huizen een televisietoestel, niet ongebruikelijk in die tijd, en twee keer per week was er op televisie het kinderuurtje, op woensdag- en zaterdagmiddag. Ik woonde in een kinderrijke buurt, dus de huiskamer van de kindvriendelijke buurvrouw met televisie zat behoorlijk vol. Het kon echter weleens gebeuren dat er iets misging, niet vaak, maar toch. Dan verscheen de omroepster in beeld die ernstig keek: ‘Jongens en meisjes, Pipo en Mamaloe zijn vandaag zo ver weg dat we ze niet hebben kunnen vinden. Wat ze allemaal beleefd hebben, zien jullie volgende week. Dus vandaag helaas geen Pipo en Mamaloe, maar we hebben wel een bijzondere verrassing, een Poolse animatiefilm met een avontuur van het dappere hondje Prok.’

Onverdraaglijke aankondiging. Ik kende ze, die Poolse animatiefilms, uit oud karton geknipte figuren met een houterige dynamiek. Ik wilde meteen weg, maar dat deed ik niet. En terwijl ik ranja in mijn mond liet klotsen, voelde ik het voor het eerst, verveling, een zware, zeurderige gewaarwording die vermoeid naar wanhoop lonkte. Misschien is dat laat in een leven dat al bijna acht jaar aan de gang was, maar daarvóór overkwam het me niet. Ik weet ook waarom dat zo was. Een groot deel van de dag bracht ik met fantaseren door, vooral in situaties of omstandigheden die ik niet boeiend vond. Bij het leven dat ik leidde, bedacht ik een tweede leven. Ik hoefde daar niet eens mijn best voor te doen, het gebeurde gewoon. Daarom verveelde ik me nooit, ik wist niet eens wat het was.

Peter Toohey schreef een boek over verveling. De titel is Boredom en de ondertitel A Lively History. Wat die ondertitel zegt, is waar. Peter Toohey is geen gedragswetenschapper, maar gespecialiseerd in de klassieke oudheid. Hij is hoogleraar aan de Universiteit van Calgary. Verveling fascineert hem echter al jaren en hij ging het verschijnsel als leek met opgewekte nieuwsgierigheid onderzoeken, vergelijkbaar met hoe ook Bill Bryson te werk gaat: alles willen weten over een onderwerp, wat natuurlijk niet kan, maar blij zijn als je verslag kunt doen van iets van dat alles. Een manier van doen die me zeer bevalt.

Mijn eerste ervaring met verveling hoort bij de simpele vormen van verveling, dus in omstandigheden verkeren waar je uit weg wilt, terwijl dit niet kan – uiteraard gaat het nu om zeg maar betrekkelijk alledaagse omstandigheden – en een andere is de herhaling van iets: Toohey noemt in dit verband het eten van baklava, Turkse zoetigheid die een paar keer iets verrassends kan hebben, maar die als je die twee weken achter elkaar dagelijks zou moeten eten, een soort razernij kan veroorzaken. Niemand hoeft dat natuurlijk, het is maar een voorbeeld.

Een mens kan zich natuurlijk ook vervelen als er in zijn omgeving nauwelijks iets gebeurt. Toohey voert dan zijn inmiddels overleden tante Madge op die zei er nooit last van te hebben. Dat kwam door twee activiteiten (want je moet natuurlijk wel iets dóen, als dat kan tenminste): kruiswoordpuzzels blijven oplossen en met mensen blijven praten. Dus een geestelijke en een sociale activiteit.

Voor alle verveling geldt: ga er vandaan. Dat kan natuurlijk op vele manieren. Toohey noemt drie paardenmiddelen: seks, op reis gaan en drugs in diverse vormen. Voor- en nadelen hebben die paardenmiddelen en bijna iedereen komt toch ook weer terug bij het begin of de kern van het probleem, want dat is het wel, een probleem, een problematisch gevoel dat veel mensen gemeen hebben.

Het kan natuurlijk ook nog erger worden. En dan is ‘probleem’ een te klein woord. Toohey besteedt er veel aandacht aan in zijn boek: de existentiële verveling die tegen de depressie aan hangt of daarin uitmondt: innerlijke leegte, het gevoel nergens bij te horen, niets te betekenen. Het kan ook zijn dat je dit allemaal wilt, dat het dus een geesteshouding is, denk bijvoorbeeld aan Oblomov, de hoofdpersoon van de roman van Gontsjarov, of aan Frits van Egters uit De avonden van Reve, maar dat zijn bedachte mensen. Toohey noemt Charles Baudelaire, zijn wezenlijke verveling is zijn thematiek, waardoor die verveling misschien nog steeds wel een ziekte is, maar niet zo’n erge ziekte als bij mensen die er geheel door verlamd zijn, want dat kan ook, dat je alleen maar in een hoek wilt wegkruipen, met een inktzwarte doek om je hoofd. Zoiets kan met verveling beginnen. Lees hierover vooral ook The Noonday Demon van Andrew Solomon uit 2001, maar ook Toohey gaat er in zijn boek uitvoerig op in.

Uiteraard komt hij met voorbeelden uit boeken die deze ziekte behandelen, maar ook en vooral uit de literatuur en schilderkunst. Michel Houellebecq bijvoorbeeld. Lees maar het begin van de roman die in Nederlandse vertaling heet De wereld als markt en strijd. Je staat meteen met beide benen in een lege wereld waarin niets meer van belang lijkt. Het absurde ervan kan niet eens meer een greintje hilariteit losmaken. Woede regent hier door de wezenlijke verveling.

Van wat Toohey de gewone of simpele verveling noemt, begreep ik nooit veel, wat komt doordat ik mezelf nooit verveel, niet alleen omdat er geen Poolse animatiefilms meer op mijn pad komen. Toohey legt het allemaal inzichtelijk en genuanceerd uit.

Er is veel gewone verveling om ons heen. Ik weet dat er mensen zijn die van een bezoek aan een meubelboulevard een dagje uit maken. Ik kijk daar niet op neer, maar voel wel enige huivering. Voel ik ook als ik in een journaaluitzending dertigduizend mensen op een bemodderd terrein op dezelfde manier zie dansen. Voel ik ook als ik mensen enthousiast hoor spreken over een televisieprogramma waarin uiterst nare jonge mensen uitsluitend nare dingen doen omdat ze niets anders te doen hebben. Gewone verveling richt veel aan, ook veel ellende. Ik praat er niet vaak over, want dan voel ik me conservatief.

Tijdens het schrijven van dit stuk kijk ik zo nu en dan naar de straat. Als de zon in de zomer zich zuinig gedraagt, doemt er veel gewone verveling op. Ouders en volgesnackte kinderen bewegen zich traag langs etalages. Natuurlijk is er overal een pretpark in de buurt, maar daar waren ze gisteren al. Ze zien er teleurgesteld uit. Die teleurstelling heeft een doffe kleur. Ze zeggen niets tegen elkaar en het is aan hen te merken dat het al een tijdje geleden is dat dit wel zo was. Het is een log en nevelig verdriet.

Door het boek van Toohey heb ik de indruk dat ik bijvoorbeeld deze recreanten iets beter begrijp. Mijn mening over wat me vaak overkomt als ik om me heen kijk, is niet ingrijpend veranderd, maar ik oordeel niet meer zo snel en fel over dit verdriet. Boredom is daarom ook een troostrijk boek.

Nog meer verveling morgen in de bijlage Lux, pag. 4-5