Soldaten censureren, kan dat in tijden van sociale media?

Minister Hillen van Defensie zegt dat militairen niet met media mogen praten over hun eventuele klachten. Maar hoe werkbaar is zo’n verbod nog in de 21ste eeuw?

De beste soldaat is een zwijgende soldaat, liet minister Hillen (Defensie, CDA) deze week duidelijk merken. Het is militairen verboden direct contact met journalisten te hebben, benadrukte hij in een brief aan de Tweede Kamer.

Parlementariërs hadden gevraagd om opheldering over de logistieke problemen rond de nieuwe missie in Kunduz. Ze kregen een minister die zijn beklag deed over „gemopper” van zijn personeel ter plaatse.

„Een ultiem zwaktebod”, zegt Frits Olivier, in de jaren negentig adjunct-directeur voorlichting op het ministerie van Defensie. „Hillen onthoudt de militairen de benodigde middelen en draagt ze vervolgens op hun mond daarover te houden. Het is toch terecht dat ze klagen als de zaken daar niet op orde zijn?”

De NOS bracht afgelopen weekend naar buiten dat de militairen die zes weken geleden zijn uitgezonden om de civiele politie in de noordelijke stad Kunduz te trainen, te weinig materieel en tolken hebben. Ze hadden daarover gemaild naar de omroep. Dat wil Defensie niet hebben.

Olivier herkent de drang van het departement om het monopolie op informatie stevig in handen van de verantwoordelijke politici en hun woordvoerders te houden. In zijn tijd werd dat geregeld door journalisten zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Tegenwoordig mogen die embedded mee op missies zoals die in Kunduz. „Het beleid is nu om hen zoveel mogelijk te regisseren. De vrees van leidinggevenden is nog steeds dat journalisten misbruik zullen maken van soldaten. Dus kunnen die maar beter stil gehouden worden.”

Volgens het ministerie geldt er geen spreekverbod. Het staat militairen vrij met media te praten, op voorwaarde dat het contact vooraf door de afdeling voorlichting is goedgekeurd. „Als je als militair in dienst treedt, teken je een geheimhoudingsplicht”, zegt een woordvoerder van het departement. „We streven niet naar een waterdicht systeem. Militairen mogen alleen geen operationele informatie vrijgeven. Niet aan journalisten, maar ook niet in een e-mail aan je moeder of een twitterbericht.”

Militairen hebben in Kunduz toegang tot e-mail, Facebook, Hyves en Twitter. Daar moeten ze „zorgvuldig” mee omgaan.

Dat het niet alleen verboden is om strategische, militaire informatie op internet te zetten, merkte Jan-Willem den Hollander toen hij in 2007 in Uruzgan diende. Hij hield een weblog bij en schreef daarop hoe hij de thee die hem door Afghanen was aangeboden, had weggegooid. „Anders heb ik straks allemaal schurft aan mijn mond, je weet nooit waarmee die Afghanen die kopjes schoonmaken (ze wassen zichzelf al in hetzelfde water als waarin ze schijten en pissen).”

Toen deze krant daarover publiceerde, werd hij op het matje geroepen. „Ik wist wel dat ik bijvoorbeeld geen foto’s van de compound mocht publiceren, maar dit ging blijkbaar ook te ver”, zegt Den Hollander nu. „Mij werd verteld dat ik bij terugkeer een boete zou krijgen, maar daar heb ik niets meer over gehoord. Met het weblog ben ik wel meteen gestopt.”

Toen Defensie tijdens de missie in Uruzgan werd geconfronteerd met onwelgevallige berichten die militairen op internet zetten, kondigde het ministerie een gedragscode aan. Sinds vorig jaar is er een richtlijn voor alle rijksambtenaren.

Volgens oud-woordvoerder Olivier „getuigt het van weinig realiteitszin” te denken dat ontevreden militairen te censureren zijn. Olivier, zelf 69 jaar: „Je ziet dat Hillen wat ouder is en moeite heeft zich in de jonge militairen te verplaatsen. Hij wordt aan alle kanten gepasseerd door zijn personeel dat sociale media gebruikt om te vertellen hoe het er daar aan toegaat.”

Ook over het beperken van contact met journalisten maakt hij zich geen illusies. „Je kunt het niet verbieden. Als militairen niets meer mogen zeggen, laten ze zich wel anoniem opvoeren.”

Volgens oud-soldaat Jan-Willem den Hollander valt dat wel mee. „Soldaten krijgen mediatraining en leren dat het beste antwoord op een vraag van een journalist altijd is: geen commentaar. Mensen in Nederland weten nog geen 20 procent van wat zich tijdens een missie afspeelt.”

    • Emilie van Outeren