Orwell en Heel

Enkele dagen voordat in het Limburgse Heel twee katholieke internaten in opspraak kwamen, hoorde ik Hugo Claus in een aan hem gewijde tv-documentaire uit 2009 bitter zeggen: „Het zijn krijgers van God. Het is terreur. Nonnen zijn ooit vrouwen geweest, maar ze zijn vermomd als Waffen-SS in jurken.”

Claus bracht zijn jeugd op katholieke kostscholen door. Dankzij zijn uitspraken en de gebeurtenissen in Heel kreeg ik behoefte George Orwells befaamde essay Such, Such Were the Joys te herlezen. Dat stuk is één grote, indringende aanklacht tegen het fenomeen van de (vaak christelijke) internaten, waar kinderen soms al op zeer jeugdige leeftijd (Claus was amper twee, Orwell acht) ondergebracht werden.

Orwell zat vanaf 1911 op St. Cyprian’s School in Eastbourne, een school die voorbereidde op het middelbaar onderwijs. Op de foto’s die ik ervan zag (zoals in Marco Daanes interessante boek Het spoor van Orwell), doet het gebouw denken aan het voormalige katholieke jongensinternaat Sint Joseph in Heel. Een massief, gesloten bolwerk. Ook de wereld die Orwell beschrijft, heeft overeenkomsten met de beschrijvingen van het internaat in Heel: een autonome samenleving met eigen wetten en codes.

St. Cyprian’s werd, volgens Orwell, bestierd door het tirannieke echtpaar Wilkes, dat de jongens onder de duim hield met een barbaars systeem van (lijf)straffen en andere vernederingen. „Acht jaar oud werd je plotseling uit dat warme nest gehaald en een wereld van geweld en bedrog en geheimen binnen gesmeten, als een goudvis in een bak vol snoeken.”

De overeenkomst met ‘Heel’ die me nu trof, was Orwells beschrijving van fysieke verwaarlozing. „Vreemd is de mate van, ik zal niet zeggen echte ontberingen, maar toch vuil en verwaarlozing die als iets vanzelfsprekends golden op de scholen voor de betere standen in die tijd.”

Het eten was karig en vies, de gebouwen waren smerig, het stonk er altijd naar zweet en wc’s. „Gezondheid en zindelijkheid werden verwaarloosd”, schreef Orwell, „ondanks alle grote woorden over frisse lucht en koud water en sport staalt spieren.” Fysieke klachten, zoals Orwells longstoornis, werden gebagatelliseerd.

Over Sint Joseph in Heel lees ik dat er ernstige overbevolking was, jongens werden met zestig op een slaapzaal gepropt. Dat doet, net als op St. Cyprian’s, het ergste op hygiënisch gebied vermoeden, temeer omdat het in Heel ernstig gehandicapte jongeren betrof die moeilijk voor zichzelf konden zorgen.

Toch zullen we nooit te weten komen wat er precies achter die dikke, donkere muren gebeurd is. De herinneringen eraan hebben een hoog subjectief gehalte. Orwell kreeg bijval, maar ook kritiek van schoolgenoten. Het overkwam mij ook toen ik eens een stukje schreef over de slechte ervaringen van mijn moeder in een nonneninternaat. Een schoolgenote liet me weten dat haar ervaringen veel positiever waren geweest.

Bernard Crick, Orwells bekendste biograaf, hield het erop dat St. Cyprian’s een inderdaad nogal verachtelijke school moet zijn geweest, maar dat Orwells beschrijving „óf semifictioneel óf zwaar overtrokken” was.

Aan het einde van zijn essay uit 1947 constateerde Orwell tevreden dat er inmiddels op zulke internaten heel wat verbeterd was. Dat was waar, al neemt het – ironisch genoeg – niet weg dat vijf jaar later op twee Limburgse internaten een mysterieus, grootschalig sterven begon.

    • Frits Abrahams