Libische rebellen: wij zijn niet meer te stoppen

De Libische opstandelingen denken dicht bij een zege op kolonel Gaddafi te zijn.

De sfeer aan hun kant is uitgelaten. „Dit is het einde, geloof me.”

Langs de westelijke woestijngrens met het buurland Tunesië wordt de diepe verdeeldheid in Libië meteen scherp zichtbaar.

Aanhangers van kolonel Muammar Gaddafi en inwoners van de hoofdstad Tripoli moeten naar hun Libië via de officiële grensovergang bij Ras Jedir. De opstandelingen, die nu het grootste deel van het land in handen hebben, gaan zuidelijker de grens over bij Dhi’ba, een grenspost die al in april in hun handen viel.

Hoewel de rebellen de afgelopen dagen verschillende steden langs de weg tussen de grens en de hoofdstad hebben veroverd, is er nog voldoende verkeer op weg naar het Libië van Gaddafi.

Tientallen vrachtwagens, beladen met rijst en tarwe uit Rusland, koersen nog steeds richting de hoofdstad alsof er van een opstand nooit sprake is geweest. De standjes van oliehandelaren langs de weg, die officieel diesel verkopen maar ’s avonds via smokkelroutes benzine naar Tripoli brengen, zijn allemaal nog open.

„Niemand heeft ons verteld dat er problemen zijn”, zegt een vrachtwagenchauffeur, die zijn naam niet wil geven. Meer dan een week geleden bracht hij nog graan naar de Libische hoofdstad. „Er was niets aan de hand. Waarom zou dat nu anders zijn?”

Maar de situatie is wel degelijk veranderd. De rebellen die sinds hun opstand in februari maandenlang werden tegengehouden door regeringstroepen, hebben verschillende strategische plaatsen ingenomen. In de belangrijke stad Zawiyah, die vijftig kilometer westelijk van Tripoli ligt, is de laatste dagen zwaar gevochten door de rebellen, die uit het Nafusagebergte komen. Door de gevechten is de hoofdstad nu feitelijk afgesneden van de buitenwereld, zo lijkt het. De troepen van Gaddafi doen er echter alles aan om de stad en ook de naburige olieraffinaderij, die van levensbelang is voor hun brandstofvoorziening, weer volledig in handen te krijgen. Gisteren was het echter volgens journalisten ter plekke betrekkelijk rustig.

Hossein Bahsir, een 40-jarige handelaar die met zijn familie uit Zawiyah is gekomen, zegt van niet. Hij roept dat Gaddafi geweldig is en dat de rebellen boeven en aanhangers van Al-Qaeda zijn. „Er zijn wat kleine problemen in Zawiyah, maar de situatie is onder controle”, zegt Bahsir. Zijn dochters zitten lachend op de achterbank van de auto. „Hello! Hello!”, roepen ze.

De Tunesische grenswachten laten geen journalisten door, maar zeggen dat er niet wordt gevochten bij de grens, iets wat de rebellen beweren.

Vijf uur rijden naar het zuiden, langs eindeloze dorre woestijnen, zitten de rebellen met hoedjes in de kleuren van de oude Libische vlag – groen, zwart en rood – joelend aan hun grensovergang. ‘Welkom in vrij Libië’, heeft iemand op een muur geschreven. Honden blaffen, radio’s knetteren en gezinnen slepen met koffers in het licht van de bijna volle maan.

Omar, een rebellenstrijder die een van zijn voortanden mist, roept blij dat Tripoli over vier dagen gaat vallen. „Dit is het einde, geloof me”, zegt hij. De sfeer is uitgelaten, iedereen is blij. „Wij hebben ook een front hoor”, zegt Omar, om maar even te benadrukken dat hij niet de gehele opstand op hetzelfde gammele stoeltje heeft gezeten. Hij wijst naar zestig kilometer verderop, waar rebellen van het gebied rond ‘hun’ grensovergang ook aan het vechten zouden zijn.

De rebellen in het westen van Libië, een mix van Arabieren en etnische berbers, zijn de afgelopen week een stuk succesvoller geweest dan hun collega’s in het oosten van Libië, die de tweede stad van het landBenghazi hebben overgenomen. Volgens analisten betekent dit dat de rebellen in het westen ook in de toekomst – als Gaddafi is gevallen – meer macht zullen willen.

„Ze leven in sprookjesland als ze denken dat Gaddafi zich zal overgeven aan die boeven”, zegt handelaar Bashir aan de officiële grens. Maar Omar, de rebellenstrijder zonder voortand, wil volgende week in Tripoli zijn. „Wij zijn niet meer te stoppen.”

    • Thomas Erdbrink