Hoe ons overschot netjes op te ruimen

Resomeren en cryomeren – een lijk oplossen of vriesdrogen – zouden het milieu nauwelijks belasten. Maar uit een eerder onderzoek bleek dat niet.

Nederland, Beuningen, 18-4-2010 Tijdens de open dag van uitvaartbedrijf Yarden bij het crematorium Rijk van Nijmegen konden belangstellenden een kijkje nemen in de wereld van het begraven en cremeren. Foto: Flip Franssen

Doodgaan is best goed voor het milieu. Blijven leven is in ieder geval stukken milieubelastender. Maar het kan altijd beter. Want wat doe je met het dode lichaam? Begraven, cremeren? Resomeren, oplossen in kaliloog, is het best, volgens een recente studie van TNO, waarin vier verschillende methoden van lijkbezorging werden vergeleken.

De vierde methode die werd onderzocht is cryomeren: vriesdrogen met vloeibare stikstof. Cryomeren en resomeren zijn nieuwe uitvaarttechnieken, waarmee proefprojecten worden uitgevoerd, onder andere in Zweden (cryomeren) en de Verenigde Staten en Canada (resomeren). Bij de nieuwe technieken wordt het lichaam na de uitvaart in een installatie met kaliloog of stikstof gebracht. Na de behandeling blijft er een poeder over.

De resultaten van het TNO-onderzoek zijn opzienbarend, zeker vergeleken met een eerdere studie die in 2005 is uitgevoerd door de Technische Universiteit Delft. Dat onderzoek bestempelde begraven, cremeren en resomeren als even milieubelastend. Even weinig milieubelastend eigenlijk, want de milieueffecten van een uitvaart zijn laag. De kilometers die verreden worden op de dag van de uitvaart vormen verreweg de grootste milieupost. De manier van lijkbezorging bepaalt ongeveer een kwart van de milieueffecten.

In 2005 scoorde cryomeren vanwege het hoge energieverbruik het slechtst. Maar het was juist die methode die de opdrachtgever, uitvaartbedrijf Yarden, destijds aanprees als ‘de ecologische uitvaart’. Yarden heeft na nieuwe claims – verbeterde technieken – het milieueffect van de verschillende uitvaarttechnieken nogmaals laten onderzoeken. Met, zoals gezegd, verrassend resultaat. Want niet cryomeren torent dit keer qua milieubelasting boven de andere lijkbezorgingsmethoden uit, maar begraven.

TNO berekent de kosten in schaduwprijzen: bedragen om de milieueffecten te compenseren. Begraven kost dan 85 euro, cremeren 31, cryomeren 11 euro en resomeren is vrijwel gratis. Dat laatste komt doordat de energiekosten worden gecompenseerd door het recyclen van metalen. Vooral goud afkomstig uit tanden en waardevolle metalen uit protheses en ander chirurgisch staal. Dit recyclen bespaart de milieukosten van de winning van nieuwe metalen, een zeer vervuilende aangelegenheid. De aanname is dat je niets recyclet als je een lichaam begraaft, bij cremeren een beetje (uitgegaan wordt van de huidige praktijk) en bij de nieuwe uitvaarttechnieken nog meer, want daarbij zijn de metalen volgens dit onderzoek beter te scheiden van het restproduct.

Begraven levert dus niks op en is bovendien duur, vanwege het grote grondgebruik en de grafsteen van Aziatische natuursteen.

Onderzoeker Han Remmerswaal van TU Delft, die het onderzoek in 2005 deed, vindt dat in de TNO-studie bij de nieuwe technieken wel erg gemakkelijk is uitgegaan van door de buitenlandse leveranciers aangeleverde gegevens, onder andere over grondstof- en energiegebruik, terwijl die nog niet of nauwelijks getoetst zijn aan de commerciële praktijk. Verder vindt hij dat het onderzoek niet voldoende aansluit bij de Nederlandse praktijk. Zo geldt stikstof volgens hem in Zweden als ‘afvalproduct’, maar in Nederland niet.

Ook milieukundige Lucas Reijnders vindt dat de studie te veel uitgaat van de door leveranciers aangeleverde data. „Die blijken vaak te optimistisch.” Ook vindt hij, met Remmerswaal, de TNO-studie te optimistisch over het afvalwater bij resomeren. „Met een pH van boven de tien mag de gebruikte resomeervloeistof in Nederland niet geloosd worden.”

Volgens TNO-onderzoeker Elisabeth Keijzer ligt het grote verschil tussen haar rapport en de eerdere analyse van Remmerswaal niet aan het afvalwater of aan de data van de leveranciers. „Ook in mijn worst case scenario, met 50 procent meer gebruik van stikstof of kaliumhydroxide, steken de nieuwe technieken nog gunstig af bij de huidige”, zegt ze.

Volgens Keijzer heeft zij in de nieuwe studie „breder” gekeken dan Remmerswaal. „Bij begraven en cremeren hebben we de kist meegerekend en bij de nieuwe technieken nauwelijks, want we gaan ervan uit dat die daarbij wel vijftig keer wordt hergebruikt. Bij begraven is onderhoud van de begraafplaats meegerekend en zijn we op basis van de praktijk uitgegaan van een zwaardere grafsteen.”

Doordat de milieubelasting van de gebruikte uitvaarttechnieken zo laag is, kunnen zulke kleine verschillen veel uitmaken. In Duitsland worden metalen zorgvuldiger uit de as geselecteerd. Daar zal cremeren dus gunstiger uitvallen. Tegenwoordig begraven meer mensen de urn, in plaats van de as meteen te verstrooien; daardoor pakt cremeren weer ongunstiger uit.

Dat Keijzer rekent met een langere grafrust dan Remmerswaal destijds (37,5 tegenover 15 jaar; een periode die inderdaad realistischer is) maakt de factor ‘landgebruik’ bijna twee keer zo hoog. In tegenstelling tot recycling kan in de gebruikte modellen landgebruik nooit positief uitvallen. Zelfs niet als er zeldzame mosbloempjes op het graf groeien of als het begraafpark de ‘groene long’ van de stad is. Keijzer: „Zelfs als je de factor landgebruik uit het onderzoek haalt, scoort begraven slechter dan de nieuwe technieken. Die pakken gunstiger uit omdat het energieverbruik daarvan gecompenseerd wordt door de opbrengsten uit recycling van metalen.”

Remmerswaal schudt het hoofd: „Ik zie niks in het introduceren van lijkverwerking met gevaarlijke chemicaliën. Weet je hoe het bij resomeren en cryomeren toegaat? Daar moeten straks mensen werken in veiligheidskleding. Ik vrees dat familie alleen achter glas kan toekijken.” Al kijken mensen bij cremeren natuurlijk ook niet naar de laatste fase. Hoe dan ook, over de vraag wat het beste voor het milieu is, blijft discussie.

    • Marjon Weijzen