De toekomst van het verleden

Er zijn van die woorden waarvan ik de betekenis telkens weer in het woordenboek moet opzoeken. Een ervan is deontologie, dat nogal eens in de Vlaamse pers voorkomt. Het betekent – even opzoeken – de plichtenleer van een beroep. Maar ik wil het nu over een ander woord hebben: serendipiteit ofwel de gave om door toeval iets te ontdekken waar men niet naar op zoek naar was. (Serendip is een andere naam voor Ceylon, maar dat helpt ons niet veel verder.)

Nu meende ik onlangs een geval van serendipiteit te hebben meegemaakt. Op 4 april schreef ik hier over een Franse toekomstroman uit 1974, die ging over een invasie van miljoenen vluchtelingen uit Bengalen en de reactie daarop van de Franse samenleving, vooral van het linkse deel ervan. Een thema dat intussen aan actualiteit had gewonnen.

Een lezer schreef mij daarop dat de overeenkomsten van dit toekomstbeeld met het beeld dat Herman Kahn, een toentertijd bekende futuroloog, schrijver van o.a. Thinking about the Unthinkable (1962) en Anthony Wiener in hun in 1967 verschenen boek The year 2000 „bijna onwaarschijnlijk” waren. Een reden voor mij om dit bijna vierhonderd pagina’s dikke boek van de bibliotheek te lenen.

Ik moet bekennen dat ik van dit boek slechts de zeer uitvoerige inhoudsopgave en de index gelezen heb en hierin geen verwijzing naar een toekomstige invasie van massa’s uit wat toen de Derde Wereld werd genoemd gevonden heb. Ook las ik de inleiding van de dit jaar overleden socioloog Daniel Bell, schrijver van o.a. The End of Ideology (1960), en daarin vond ik wél iets interessants. Althans: dat dacht ik aanvankelijk.

Bell schrijft over een reeks boekjes die veertig jaar daarvóór, dus in de jaren ‘20 van de vorige eeuw, verschenen was onder de titel Today and Tomorrow en waaraan mensen als Bertrand Russell , J.B.S. Haldane en Robert Graves, niet de eersten de besten dus, hadden meegewerkt. Die reeks ging ook over de toekomst – een toekomst die voor ons intussen vervlogen verleden is geworden. De toekomst van het verleden dus.

Het heeft geen zin om na te gaan in hoeverre die voorspellingen van toen uitgekomen zijn dan wel – tot ons leedvermaak – de plank hebben misgeslagen. In het algemeen, zegt Bell, blijken de essays over natuurwetenschap en technologie relevanter te zijn dan die over de samenleving. Het dieptepunt wordt wel bereikt in de bijdrage van een zekere kolonel J.F.C. Fuller, die ronduit antisemiet blijkt te zijn („New York will be a new Jerusalem: of this there can be no doubt”).

Fuller? Fuller? Waar was ik die naam eerder tegengekomen? Was het niet in de biografie van Colijn door Herman Langeveld? Inderdaad komt daar een zekere Fuller in voor, ook een Amerikaan, vriend van president Roosevelt, die in de jaren vlak vóór de Tweede Wereldoorlog minister-president Colijn herhaaldelijk bezoekt en over zijn gesprekken aan Roosevelt rapporteert.

Colijn was in die dagen, anders dan het tegenwoordige beeld van hem wil, een internationaal gezien staatsman. Roosevelt nodigde hem, ongetwijfeld mede op grond van Fullers rapporten, uit om op het Witte Huis te komen logeren (wat niet doorging doordat de oorlog uitbrak), en bij Churchill en Eden vond hij altijd een open deur, wanneer hij in Londen was. Geen van zijn opvolgers heeft die status bereikt.

Maar de antisemiet Fuller bleek niet dezelfde te zijn als de Fuller die Colijn geregeld bezocht. Die smet kleeft tenminste niet op het blazoen van de laatste. De voorletters kloppen niet; die van Colijns bezoeker waren S.R., en bovendien stond er nog jr. achter zijn naam. Geen toeval, geen kwestie van serendipiteit dus.

Intussen ben ik wel gaan nadenken over futurologie. Je hoort weinig meer over deze tak van wetenschap (als het wetenschap is). Komt dit doordat we de laatste tijd te veel geconfronteerd zijn geweest met onvoorziene gebeurtenissen en ontwikkelingen? De aanval op de Twin Towers op 11 september 2001 is er een van. De ondergang van het Sovjetimperium was wel voorzien, maar niet het ogenblik en de manier waarop (ook niet door Kahn en Wiener).

Het kan ook zijn dat futurologie vooral bloeit in tijden van welvaart, wanneer de bomen de hemel in lijken te groeien en optimisme de boventoon voert. Dat was het geval in Amerika tijdens de roaring twenties, toen de reeks Today and Tomorrow verscheen. In de jaren ‘60 heerste er ook geen ondergangsstemming. Bij ons werden de boeken van Fred L. Polak (o.a. Prognostica, 1968) toen veel gelezen. Nu niet meer. Nu is de stemming dan ook eerder in mineur.

Hoewel Kahn en Wiener meermalen de mogelijkheid van serendipiteit vermelden, sluit futorologie bijna per definitie elke serendipiteit uit, omdat zij zo afhankelijk is van het toeval. De historicus J.C. Boogman brak eens een lans voor de possibilistische methode in de studie der geschiedenis (in tegenstelling tot de teleologisch-deterministische). Dit blijkt ook de juiste methode voor het beschouwen van de toekomst te zijn.