De revolutie van de irreële verwachtingen

In de jaren vijftig en zestig heerste bij de Amerikaanse regering de angst dat op den duur heel Zuidoost-Azië ten prooi zou vallen aan het communisme. Al in 1953 zei Adlai Stevenson, gouverneur van Illinois en ambassadeur bij de Verenigde Naties, dat „we in een revolutionaire tijd leven”, de tijd van de revolutie van de groeiende verwachtingen, de revolution of rising expectations. „De toekomst behoort aan degenen die de hoop en de angst van de onrustige massa’s begrijpen…”

Mede hierom besloten de Verenigde Staten tot het financieren van wat misschien wel de meest succesvolle en rendabele investering ooit is geweest: de Groene Revolutie, de verbetering van de opbrengst van voedselgewassen. Het cumulatieve resultaat heeft naar schatting een miljard mensen van de honger gered en hun de energie gegeven om hun lot te verbeteren.

Maar het uitgangspunt van de Amerikaanse positie was onjuist. Armoede is geen voedingsbodem voor onrust. Wie echt arm is, heeft niet de kracht, noch het perspectief om deel te nemen aan een revolutie. Als armoede geweld en opstand veroorzaakt, dan zouden we het laatste decennium steeds minder geweld moeten zien. Collectief is de wereld steeds minder arm geworden. Honderden miljoenen mensen hebben een hoger inkomen en meer perspectief dan ooit tevoren (zij het nog altijd veel minder dan in rijke landen).

Dan zouden vooral de jaren zestig het toneel moeten zijn geweest van grootschalig verzet.

We weten nu dat het andersom ligt. Verwachtingen ontstaan pas nadat de strijd voor de eerste levensbehoeften is gestreden. Niet absolute armoede vormt de voedingsbodem voor opstand en revolutie, maar de subjectieve ervaring van relatieve armoede. Dan ontstaat enerzijds een verlangen zich te kunnen uiten – naar democratie – zoals we dat nu zien ontluiken in het Midden-Oosten. Anderzijds groeien met een besef van relatieve armoede materiële verlangens. Mensen die een beeld hebben van wat elders te krijgen is – auto’s, huizen, banen – zijn degenen die eisen stellen. Dat besefte ik voor het eerst eind jaren tachtig in China, toen nog een land met fietsen, houten boten, ondoordringbare kolendampen en het standaard Mao-uniform. Zelfs toen was al duidelijk dat China niet immuun zou blijven voor beelden van dat surrealistische Amerika op de Hongkongse televisie.

Dus als ergens de revolutie van de verwachtingen broeit, zou je denken, dan is het China. Het zijn echter niet de Chinese massa’s die in opstand komen omdat elders, én in eigen land, zo veel meer te krijgen is. Waarschijnlijk is dat deels te wijten aan de sterke binnenlandse controle. Maar het zijn ook niet de massa’s in Afrika, hoewel ook zij via satelliettelevisie en internet weten, of denken te weten, hoe de rest van de wereld leeft. Noch de armen in de sloppenwijken van Rio de Janeiro, hoewel ook zij dagelijks geconfronteerd worden met onvoorstelbare inkomensverschillen. Geweld in die landen is vooral gerelateerd aan criminaliteit.

Het zijn, gelukkig sporadisch, de jongeren in Europese steden. In de analyses van het geweld van Londen lees je telkens over de onderklasse. Maar ook hier gaat het niet over de allerarmsten, ook hier speelt de revolutie van de groeiende verwachtingen, maar in zijn postkapitalistische vorm. Deze jongeren worden gedreven door materiële eisen waar geen inspanning tegenover staat. Ze zijn exponenten van een maatschappij van grenzeloze overvloed. Wie een winkel ziet met flatscreentelevisies, wil er ook één, wie een dure auto ziet, wil die ook, en als die niet mee te nemen is, dan uit men zijn woede over zijn relatieve benadeling door die auto te beschadigen, opdat ook niemand anders ervan kan genieten.

Het gevaar schuilt niet in de verwachtingen op zich, maar in het feit dat ze per definitie niet vervuld kunnen worden. Als de kloof tussen wat men eist – zeg maar: gratis televisies of genoeg geld om ze per omgaande te kopen – en de realiteit groot genoeg is, dan slaat de vlam snel in de pan en is iedere aanleiding tot plundering voldoende. Dat er ook jonge mensen betrokken waren uit de middenklasse, past in een vergelijkbaar patroon. Voor velen draait alles om het financieren van een levensstijl van vanzelfsprekende vakanties, uitgaan, kleren en gadgets. Daarom hebben studenten bijvoorbeeld bijbanen, niet om werkervaring op te doen. Het gevolg is zij minder hard studeren, minder ervaring opdoen en minder kans hebben op die prestigieuze eerste baan – waarvan ze verwachten dat ze de toegangspoort is tot een glansrijke, goedbetaalde carrière. Het resultaat is teleurstelling en, als het tegenzit, rancune tegen de gevestigde orde.

Er is geen enkele rechtvaardiging voor het afschuwelijke geweld dat we in Engeland tegen onschuldige medeburgers of de politie zagen. Maar als collectief zijn wij allemaal betrokken, door een consumptiemaatschappij te bevorderen waar op de pof leven normaal is, en sparen en inspanning „belachelijk” zijn. Regeringen moeten zich realiseren dat wie consumptie zaait, frustratie of erger oogst.