Boemboe wijn

Heel lang heeft Indonesisch eten mij niet zo kunnen bekoren. Als ik er wel eens met liefhebbers over sprak, schudden zij meewarig het hoofd. Natuurlijk moest ik mij niet vervoegen bij de bekende zaken. Dat waren toeristenfuiken. Dat was Indonesisch voor Hollanders. Vervolgens ronkten zij dan met geheime adresjes. Eentje waar een Indonesisch vrouwtje van minstens 114 in de keuken stond. Of degene die Lonny nog de kneepjes van het vak had geleerd. Dan wel iemand die veertig jaar scheepskok op de grote vaart was geweest, met vaste bestemming Bandoeng. Daar at je natuurlijk pas écht bijzonder geslaagde sajoer lodeh, rendang kambing of pepes oedang. Hoe dan ook, de geheimen van die adresjes heb ik nooit ontrafeld. En waarschijnlijk heeft daarom de ware aard van de cuisine van onze voormalige kolonie mij nooit gegrepen. Toch was de kwaliteit van het eten niet eens de belangrijkste reden waarom ik de Indo-gastronomische uitstapjes tot een minimum beperkte. Als wijndrinker vond ik de Indonees maar een lastpak. Slechts bier is zijn vriend. De wijn-spijsliteratuur ziet niet of nauwelijks aanknopingsmogelijkheden. Links en rechts wordt er droge rosé aangeraden. Nou, opwindend dan. En de roodliefhebber dient met een gekoelde beaujolais aan zijn gerief te komen. En dat was het dan weer. Tot de invitatie om ‘eens bij Bart te komen eten, want die kan zo geweldig Indonesisch koken’ de mailbox bereikte. Nu kende ik Bart overigens louter en alleen als vriend. Maar dan weer net niet goed genoeg om te weten dat Indonesisch koken zijn grote passie is. Eerst zocht ik – u begrijpt waarom- excuses om niet te kunnen komen: ajam-allergie, sambal-stress, kroepoek leidde bij mij tot kroepaanvallen. Maar nieuwsgierig geworden door de comités van aanbeveling heb ik toegehapt. Bart belde. Met voorinformatie. Hij zong over gerechten waarvan ze bij de mij bekende Indonezen vast nog nooit hadden gehoord. Laat staan dat ze deze op tafel hadden gekregen zoals die avond bij Bart. Hij fluisterde over ingrediënten, ging in op bereidingen, lispelde over zijn verleden in de Oost. Toen ik ‘m echter vroeg: ‘En wat drink je er dan bij?’ luidde zijn antwoord kordaat: ‘Maar daar ben jij toch voor?’ Het werd een zoektocht langs de schappen van mijn smaakgeheugen. Ik pakte en zette terug. Proefde aan herinneringen en spuugde ze weer uit. Combineerde in gedachten en keurde af. Langzaam maar zeker echter kleurden er vaag de contouren van wat niet veel later leidde tot een Indonesisch-Frans smaakverbond. Waarin de Loire de Javazee ontmoette, de Balizee, de Straat van Lombok en de Straat van Sunda. Zoet ontmoette zout. Maar brak was niet het gevolg. Verre van. Er kwamen stille krachten vrij. Mede mogelijk gemaakt door wijnen van De Vier Heemskinderen: Montlouis blanc Clos Habert van duivelskunstenaar François Chidaine, Sancerre rosé van magiër François Cotat en Anjou moeulleux van het duo-fenomeen Musset-Roulier vanwege het onvermijdelijke spekkoek-einde. Wijnen die flirtten, kirden, bogen, aanvulden en zich nederig schikten naar de toverkunsten van Bartje Boemboe. Grote Loire blijkt de ware bij de Echte Indonees.

    • Harold Hamersma