Polio in het internaat - of iets anders?

Tussen 1952 en 1954 stierven 34 jongens op internaat Sint Joseph in Heel. Het OM doet onderzoek. Waarom duikt het cijfer nu pas op? En hoe zit het met de meisjessterfte?

1 Wat voor internaat was Sint Joseph?

De rooms-katholieke instelling Huize Sint Joseph in Heel – opgericht in 1909 en in 1969 opgegaan in zorginstelling Daelzicht – was lange tijd een opvang voor hulpbehoevenden in de breedste zin van het woord. Van wezen tot ouderen, van epileptici tot zwakzinnigen. Mannen werden opgevangen door de Broeders van Sint Joseph, vrouwen door de Kleine Zusters in Sint Anna. Vanaf de vroege jaren vijftig gingen zowel de Broeders als de Zusters zich vrijwel uitsluitend richten op de zorg voor geestelijke gehandicapten. Het was in die tijd – 1952, 1953 en 1954 – dat 34 jongens onder de 18 jaar in Huize Sint Joseph overleden.

2 Waarom komt het ‘nieuws’ over de sterfgevallen tussen 1952-1954 pas nu naar buiten?

Eind jaren vijftig waren verscheidene instellingen op de hoogte van de sterftegolf: het bisdom Roermond, de arbeidsinspectie, het Katholieke Verbond van de Kinderbescherming en mogelijk een inspecteur van volksgezondheid. Maar die kennis leidde tot niets. Het Openbaar Ministerie in Roermond, die de zaak onderzoekt na werk van de commissie-Deetman, probeert te achterhalen waarom niet. De vraag is dus hoe geïnformeerde instellingen destijds omgingen met de berichten over de gestorven jongens.

3 Wat zijn mogelijke verklaringen voor het sterftecijfer?

Volgens Luc Smits, epidemioloog aan de Universiteit Maastricht, eisten begin jaren vijftig infectieziekten als tbc, griep en difterie veel doden. De inenting van kinderen tegen polio begon pas in 1957. Willibrord Rutten, medisch-historisch demograaf aan de Universiteit Maastricht, wijst er op dat er juist begin jaren vijftig een poliovirus in Nederland rondwaarde. „Epidemieën kennen een grillig verloop. In instellingen, met soms zestig kinderen op een slaapzaal, kunnen ze sterker huishouden. Sint Joseph groeide in die jaren ook nog eens fors. Voordat er aan een reeks lustmoorden wordt gedacht, zouden kenners goed naar de cijfers moeten kijken.” Theo Engelen, hoogleraar historische demografie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, heeft zijn twijfels. „Epidemieën beperken zich meestal niet tot speciale bevolkingsgroepen. Afwijkingen als op het internaat zijn moeilijk te verklaren.”

4 Als er sprake is van strafbare feiten, dan zijn ze verjaard. Waarom toch een onderzoek?

Het OM in Roermond doet geen opsporingsonderzoek. Er zal geen sprake zijn van verdachten of arrestaties. Het OM doet wel zogenoemd ‘strafrechtelijk feitenonderzoek’. Redenen: de omvang van de vermeend verdachte overlijdensgevallen, de impact van het nieuws op betrokkenen, nabestaanden en op de samenleving. Bij een feitenonderzoek mag justitie geen dwangmiddelen toepassen. Zo moet het OM toestemming krijgen van de instellingen om hun archieven in te zien. Het bisdom Roermond en stichting Daelzicht hebben die vrijwillige toestemming verleend, meldt woordvoerder van het OM Eugène Baak.

5 Onderzoekt het OM ook het hoge sterftecijfer op het meisjesinternaat in Heel?

Nee. Veertig jonge meisjes overleden op Sint Anna in de vroege jaren vijftig. Maar het OM richt zich op de jongenssterfte. „Het kale sterftecijfer van de meisjes is onvoldoende reden om een onderzoek te starten”, zegt woordvoerder Baak. „De context ontbreekt. Zo was Sint Anna veel groter dan Sint Joseph. Mochten we op nieuwe feiten stuiten, kan het onderzoek worden verbreed.”