Noorse moslims maken zich geen illusies

Alle Noren, ook de moslims, schreven de aanslagen op 22 juli eerst toe aan moslims. Nu zijn zij opgelucht. Maar er is ook de kater. Want de islamofobie die aan het licht kwam, is zeker niet weg.

Javaria slaat haar handen voor haar gezicht. De directrice van kinderdagverblijf Urtehagen (‘kruidentuin’) in Oslo krijgt nog steeds koude rillingen bij de gedachte aan 22 juli. „Wat hebben wij gebeden”, zegt de kleine, gesluierde vrouw – ze wil niet met haar volledige naam in de krant. „God, laat het alstublieft geen moslim zijn.”

Het is een doordeweekse ochtend. In de gang staan kinderen netjes opgesteld voor het gebed. Javaria twijfelt of ze wil praten over de terreurdaden van rechts-extremist Anders Behring Breivik, ruim drie weken geleden, in het centrum van Oslo en op het eiland Utøya. Op fluistertoon: „Maar de waarheid gebiedt te zeggen dat Noorse moslims het in de uren erna moeilijk hebben gehad.”

Op de dag van de aanslagen duurde het zes uur voordat officieel bevestigd werd dat de verdachte een autochtoon is. Tussen half vier in de middag – toen de bom in het centrum van Oslo ontplofte – en kwart voor tien ’s avonds gingen velen ervan uit dat het om een terreuractie van Al-Qaeda ging. De Noorse staatsomroep NRK maakte vlak na de bomexplosie in Oslo bekend dat een onbekende groep – de ‘Helpers van de globale Jihad’ – de aanslag had opgeëist. „Dit is nog maar het begin van onze reactie op Noorse kranten die de cartoons van de profeet Mohammed publiceerden”, zou de groep op internet hebben gemeld.

Hoewel bewijzen voor een islamitische link ontbraken, kregen Noorse moslims het zwaar te verduren. Dat merkte NRK-verslaggever Martin Zondag toen hij 22 juli door Grønland zwierf, een multiculturele wijk in Oslo. „Ik hoorde het verhaal van twee meisjes met hoofddoek die op straat waren afgetuigd. Een Pakistaanse man werd uit een bus gesleurd. Moslims zochten bescherming bij elkaar. Pas tegen het eind van de avond – toen de identiteit van de dader bekend was – sloeg de stemming om. ”

Ahmed Noor, een sociaal werker uit Somalië, zat die avond in het buitenland, maar hij telefoneerde urenlang met angstige geloofsgenoten in Noorwegen. „Die uren leken jaren te duren”, zucht hij. „Iedereen – ook ik – was er zeker van dat de dader een moslim was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe mijn leven zou veranderen. Vroeg mij af of moslims voortaan van alles de schuld zouden krijgen. Ik twijfelde over de vraag of ik moest emigreren.”

Veel bewoners van de wijk Grønland loven de initiatieven die in de dagen na ‘22-7’ werden ontplooid. Zoals het bezoek van de Noorse kroonprins Haakon en Jonas Gahr Stoere, de minister van Buitenlandse Zaken, aan hun moskee. En de roep van premier Jens Stoltenberg om „verbroedering tussen etnische en religieuze groepen”. De imam van de moskee waar Haakon in kleermakerszit gefotografeerd werd – ook hij wil niet met zijn naam in de krant – zegt dat het bezoek van de kroonprins belangrijk was voor zijn gemeenschap. „Daardoor voelden wij ons niet buitengesloten.”

Sommige moslims hebben begrip voor de vooringenomenheid. Want, zeggen zij, ook wij waren ervan overtuigd dat het om een terreurdaad van Al-Qaeda ging. „Belangrijk is dat we iets van de vergeldingsacties leren”, zegt Bushra Ishaq, voormalig voorzitter van de islamitische studentenvereniging van de universiteit van Oslo. „En laten wij niet vergeten dat er ook veel mooie dingen zijn gebeurd. Daar moeten wij ons de komende tijd aan vastklampen.”

Ishaq vertelt het verhaal van een islamitische vriendin die de herdenking in het centrum van Oslo bijwoonde, drie dagen na de aanslagen. „Normaal houden mensen een vrouw met hoofddoek op afstand, maar die dag werd zij door tientallen mensen geknuffeld. ‘Het was een van de mooiste dagen van mijn leven’, vertelde zij. ‘Ik ben nog nooit door zo veel mensen op één dag omhelsd’.”

In een recent rapport concludeerde de Europese Unie dat van de 249 terroristische aanslagen die in 2010 in de lidstaten werden gepleegd, ‘slechts’ drie het werk waren van islamisten. 160 staan op het conto van separatisten, drie op dat van linkse groeperingen. Noorse moslims verwijzen vaak naar deze statistieken om aan te geven dat er een loopje wordt genomen met de werkelijkheid. „Sinds 9/11 krijgen wij van alles de schuld”, zegt Ahmed Noor. „Of het nou om werkloosheid, misdaad of vrouwenmishandeling gaat. Er valt niet tegenop te boksen.”

Volgens de sociaal werker gaat Noorwegen door „een afkoelingsperiode”. De islamofobie tiert welig, maar is door de aanslagen minder zichtbaar. En dus vraagt Noor – en veel geloofsgenoten met hem – zich af wat er zou zijn gebeurd als Anders Breivik geen christen-extremist maar een moslim-extremist was geweest. Zou premier Stoltenberg dan ook voor verbroedering hebben gepleit? „We zullen het nooit weten”, zegt hij.