Een plaat die uitnodigt tot superlatieven

Komende vrijdag staan Fleet Foxes op Lowlands.

Bertram Mourits legt uit waarom hun cd Helplessness Blues nu al een meesterwerk genoemd mag worden.

US band Fleet Foxes on the main stage at Glastonbury Festival, in Glastonbury, England, on Friday June 24, 2011. (AP Photo/Mark Allan) AP

Een van de liedjes op Helplessness Blues, de tweede plaat van Fleet Foxes, is „een Smile-achtig studio-experiment”, vertelde Robin Pecknold, zanger en liedjesschrijver van de band aan het Engelse muziektijdschrift Uncut. Dat lijkt een manier om jezelf onder onaanvaardbare druk te zetten: Smile is de plaat van The Beach Boys die nooit af kwam, omdat Brian Wilson zijn ‘studio-experiment’ zo ver doorvoerde dat hij er gek van werd. En dat is niet bij wijze van spreken. De studiomuzikanten begonnen nattigheid te voelen toen hen gevraagd werd brandweerhelmen te dragen en in een zandbak te zitten. Dat zou het beste zijn voor de sfeer.

Zo ver is Pecknold niet gegaan bij het maken van Helplessness Blues, maar je krijgt de indruk dat het niet veel heeft gescheeld. Hij werpt zich op als romanticus van de oude stempel; iemand die lijdt voor zijn kunst, en die die kunst ook belangrijker vindt dan zijn leven: „Deze plaat heeft me mijn relatie en mijn gezondheid gekost – hij heeft mijn leven overgenomen.” Voor hem bestaat er niets anders dan zijn werk: „Naar de film gaan, is twee uur verpesten die ik aan muziek had kunnen besteden.”

Het heeft iets moois, die tomeloze inzet. Maar hoor je het aan de cd af? Is-ie echt zoveel beter dan de eerste?

De plaat begint klein, één gitaar, één zangstem – al is aan de ruime echo al wel te horen dat ons meer te wachten staat. Beach Boys-achtige achtergrondzang valt in na een halve minuut en het liedje stelt de vraag waar hij mee bezig is geweest – en of het wel zin heeft gehad: ‘both the slave and the empress will return to the dirt I guess’. Een harmonica en een tweede gitaar maken het geluid kamerbreed, al is het nog steeds bescheiden. En dat is de blauwdruk voor de hele cd: teksten vol zelfonderzoek, rijke arrangementen die zich kalm ontvouwen.

Op het eerste gehoor krijg je de indruk dat Fleet Foxes meer van hetzelfde hebben afgeleverd, nog wat beter misschien dan op het naamloze debuut, maar wel meer van hetzelfde. Het geluid zit ergens tussen Crosby Stills, Nash & Young en de Beach Boys – muziek die een kleine 20 jaar voor de geboorte van Pecknold werd gemaakt. Maar de plaat groeit na een paar keer luisteren en doet dan voor die voorbeelden niet onder. Juist omdat je Pecknold zo wanhopig hoort zoeken, maakt hij nog meer indruk dan het debuut; je moet erg voorzichtig zijn een plaat al in het jaar van verschijnen tot ‘meesterwerk’ te dopen, maar dit lijkt er een: zo’n plaat die tegelijk bekend als nieuw klinkt, een vertrouwd geluid waar je toch steeds nieuwe details in ontdekt.

De inzet waarmee Helplessness Blues is gemaakt, heeft daar wel mee te maken: het is een klein wonder dat de verbetenheid waarmee werd gewerkt de rest van de band niet heeft weggejaagd. Want toen Pecknold concludeerde: dit liedje moet anders, of het gaat van de plaat af, had hij het wél over de favoriet van Skyler Skjelset – behalve de gitarist van Fleet Foxes ook een goeie vriend met kennelijk veel geduld. De plaat leek af te zijn, maar Pecknold besloot: „Dit is misschien waar we nu zijn. Maar niet waar we wíllen zijn…” En toen ze in de kroeg zaten, om te vieren dat de laatste mixen nu éindelijk af waren, ging Pecknold snel weg. Om nog een paar laatste overdubs te doen.

Er zijn bands voor minder opgeblazen – maar je krijgt het idee dat ook de loyaliteit van de bandleden aan de muziek valt af te horen. Meerdere liedjes beginnen klein, met een eenzame Pecknold vol echo, misschien één gitaar erbij. Die eenzaamheid wordt steeds ‘opgelost’ of in elk geval draaglijk gemaakt door de rest van de band. Hun toevoegingen maken het geheel warmer, lichter, draaglijker – niet alleen voor de luisteraar, ook voor hun voorman.

Helplessness Blues is een plaat die uitnodigt tot superlatieven. Er is geen regel die toevallig tot stand lijkt gekomen, elk instrument (en het zijn er nogal wat) heeft zijn plek in de gecompliceerde arrangementen, de harmonieën zijn alomtegenwoordig maar nooit teveel. De teksten zijn donker en raak, en hoe goed de band ook is, nergens bespeur je enig leeg vertoon van virtuositeit. Een perfecte plaat, maar waarom wordt deze perfectie dan niet saai?

Er is een moment op de plaat dat voor mij alles verklaart, het is iets minder dan een minuut in ‘The Shrine/An Argument’, een bijna psychedelisch breed uitgesponnen lied in drie delen vol ellende, waarin het weer ochtend wordt, zelfs al blijkt in het ‘terrible sunlight’ dat hij alles kwijt is. Het liedje eindigt met langzaam tot stand komende chaos wanneer de saxofoon, van achteruit de ruimte, de serene rust overneemt die net bereikt was. Maar het moment dat ik bedoel zit vooraan. Daar zingt Pecknold ‘sunlight over me no matter what I do’ – en zijn stem slaat bijna over. Heel even schor, dat gebeurt verder nergens behalve bij de herhaling van de regel in het volgende couplet. Opeens is aan de oppervlakte even te horen wat de rest van de plaat impliciet blijft: een inzet zonder grenzen, die pijn mag doen. Het is die bloedige inzet die maakt dat je de plaat meteen weer wilt horen, die zorgt dat het niet uitmaakt dat de muziek zich op zulk vertrouwd terrein begeeft – en die verklaart dat het resultaat onmiddellijk te herkennen valt als Fleet Foxes.

Helemaal af. Helemaal gelukt. Maar wat nu?

Bertram Mourits is redacteur bij uitgeverij Contact en schreef samen met Pieter Steinz het muziekboek Luisteren &cetera.

    • Bertram Mourits