Een knokploeg beginnen tegen Marokkanen, is dat goede burgerzin?

In Helmond is sprake van een oorlogssituatie, las Arjen van Veelen. Hij reisde af, maar vond geen knokploegen. Wel ziet hij politici die geweld van burgers gretig aanmoedigen.

Ik keek naar de knokkels van mijn rechterhand en daarna naar het groepje jonge Marokkanen op de hoek, bij coffeeshop Bonne Ville. Waren dit ze dan? Moest ik hén slaan?

In Helmond, waar ik vorige week was, is dat geen louter filosofische kwestie. Bezorgde burgers vormen daar een knokploeg tegen overlastgevende Marokkanen. Dat las ik in De Pers. Oorlogsverslaggever Arnold Karskens was op reportage geweest naar het To Hölscherplein, in de binnenstad van Helmond. Hij vergeleek de situatie met „Syrië of Birma”. Buurtbewoners waren „ondergedoken”, vanwege de „ware terreur”. Namen noemde hij niet. Hij wilde zijn bronnen beschermen, „net als in een echte oorlog”.

Ook Geert Wilders las het verslag. Hij twitterde direct: „Ik wil er snel op werkbezoek om bewoners te steunen!” Achmed Marcouch was hem voor. Het koene Kamerlid van de PvdA bezocht het gewraakte plein vorige week al, net als een reeks verslaggevers – van de NOS tot NRC Handelsblad.

Wie wilde knokken, kon de laatste tijd trouwens ook elders terecht – in Zandvoort, bijvoorbeeld. Daar droomde een strandtenteigenaar van een vechtclubje tegen Marokkanen. In Hengelo mishandelden buurtbewoners een pedofiel. In Antwerpen vormden ondernemers een burgerwacht tegen relschoppers, net als in Engeland. Daar werden plunderaars verjaagd met knuppels.

Getuigt dat van goede burgerzin? Moest ik mij aansluiten bij zo’n vechtclub? Zo ja, waar kon ik me melden? Met die vragen ging ik vrijdag kijken op het To Hölscherplein.

Eigenlijk is het geen plein, maar een pleintje. Het is niet veel groter dan een tennisbaan. Een camera hield alleen een stel roerloze wipkippen in de gaten. Ik zag bewoners noch terroristen. Om de hoek stond een groepje blanke jongens rond een Volkswagen Golf, met een lekke band. Kwam door de Turken, wist de eigenaar, een blanke jongen met een gouden ketting. Hij kon me niet verder helpen met de knokploeg; hij kwam uit een andere wijk. In de Heistraat, waar je volgens berichten ’s avonds niet meer over straat kan, ging ik een modern Turks koffiehuis binnen. De vriendelijke barman gaf me een blikje Red Bull, van het huis. Ook hij wist niet waar ik me kon melden. Hetzelfde gold voor de blanke eigenaar van een vloerbedekkingzaak. Veertig jaar in deze straat gewoond; nooit problemen.

Op naar coffeeshop Bonne Ville, om de hoek. Voor schilderijen van Herman Brood loungede een multicultureel gezelschap – een Marokkaan in een Arsenaltrainingspak, een Duitse Brabander met een kaal hoofd, een Molukker met een zonnebril en een Hollander uit Mierlo met een baseballcap. Aardige lui, zo te zien, maar ook hier werd ik niet wijzer. Buiten trof ik een stel jonge Marokkanen. Waren dit de mensen die klappen verdienden? Misschien, maar deze middag hielden ze zich koest en vriendelijk. Bij het afscheid zeiden ze keurig „houdoe”.

Voorlopig bleef mijn vraag theoretisch, maar niet minder belangrijk. Volgens een klassieke definitie van de Duitse socioloog Max Weber is een staat gezond als de overheid het monopolie op geweld bezit. Als burger sluit je eigenlijk een deal met de overheid – jullie zorgen voor mijn veiligheid en ik beloof niet zelf te knokken. Uitzondering is noodweer.

Kenmerk van een failed state is, omgekeerd, dat de overheid het monopolie op geweld kwijt is. Daar zie je dus veel knokploegen en particuliere beveiligers. Hoe meer van dat soort types, hoe meer de staat faalt, zou je kunnen zeggen. Hoe zit dat bij ons?

Even geleden voerde de overheid campagne over wat ik als burger kon doen als ik getuige was van geweld:

Bel het alarmnummer 1-1-2

Mobiliseer de omstanders

Help het slachtoffer

Onthoud de kenmerken van de dader

Dat was dus keurig conform Weber, maar we leven in andere tijden.

Ten eerste is het geweldsmonopolie allang niet meer zo zuiver. Nederland telt 35.000 particuliere beveiligers en 25.000 bijzondere opsporingsbeambten. Van echte politieagenten zijn er ongeveer 50.000.

Begin dit jaar stelde toenmalig topman Harm Brouwer van het Openbaar Ministerie voor om particuliere beveiligers de bevoegdheid te geven om geweld te gebruiken tegen burgers. In het regeerakkoord staat dat burgers die geweld gebruiken tegen inbrekers beter zullen worden beschermd. Zelfredzaam zijn, heet dat – eigen verantwoordelijkheid met de honkbalknuppel. Minister Opstelten (Binnenlandse Zaken, VVD), in een interview: „Wij kunnen als overheid niet overal direct ter plaatse zijn, dus zal de burger het ook zelf moeten oppakken.”

Dit gaat verder dan coulance voor de burger die knokt. Die bestond altijd al. Nieuw is de gretigheid waarmee politici dat geweld aanmoedigen. De burgemeester van Zaltbommel, een VVD’er, vindt het „geweldig” als burgers vechten tegen inbrekers. „Sla ze maar verrot.”

Hoe zou de overheidscampagne over burgeringrijpen er nu uitzien?

Bel uw vrienden

Sla er maar op los

Zet het resultaat op YouTube

Die nieuwe sfeer werpt al zijn vruchten af. In juli maakte een groep bewoners in Kerkdriel jacht op een inbreker. Ze reden daarbij een kind van acht jaar aan. De civil courage van deze lui werd bejubeld op het forum van Omroep Gelderland. „Ze moeten ze doodschoppen, die als raven stelende mocro’s!”, schrijft Hein Wimminga. „Ja ik wil bloed zien!”, reageert ‘Marinus’. „In Nederland wordt niet meer gestraft en nu neemt de burger het recht in eigen hand, en van mij mogen ze!”

Dit is pittige taal, maar wat kun je deze reaguurders eigenlijk kwalijk nemen als zelfs keurige burgemeesters zeggen: „sla ze maar verrot”?

Achmed Marcouch, een oud politieman, schreef vorige week dat de knokploeg in Helmond „een begrijpelijke uiting kan zijn van machteloze woede van geterroriseerde bewoners”. Is dit populistentaal? Hij heeft in elk geval dit punt: de roep om een knokploeg is min of meer logisch als politici enerzijds toejuichen dat burgers geweld gebruiken en anderzijds de politie zich terugtrekt uit de wijk – dat gebeurt ook.

In Helmond had je snackbar New Boemerang. De uitbaatster daarvan deed achttien keer aangifte bij de politie. Haar ruiten waren ingegooid. Ze was bedreigd en mishandeld, lees ik Binnenlands Bestuur. Wat zei haar burgemeester? „Andere horecazaken nemen zelf verantwoordelijkheid door bijvoorbeeld beveiligingsmensen aan de deur te zetten. Ik kan geen politiemacht oproepen om een cafetaria te exploiteren.”

Is dat niet juist wél de bedoeling van de staat, dat een ondernemer zijn snackbar kan runnen? Eind vorig jaar raakte de echtgenoot van de uitbaatster in gevecht met hangjongeren. Daarbij stak hij een jongen met een mes. Hij werd opgepakt. Eigen verantwoordelijkheid, dikke bult.

Voordat ik uit Helmond wegging, at ik nog friet met joppiesaus in een andere snackbar, aan de Heistraat. Deze werd gerund door Nederlandssprekende Chinezen. Naast me zat een wat ouder echtpaar. Ze gingen naar Helmond Sport tegen Sparta en hoopten ooit de dag mee te maken dat ze hun kleinkinderen konden meenemen naar het voetbal. Al tientallen jaren liepen ze over de Heistraat naar huis, ook ’s avonds. Nooit hadden ze problemen gehad. Dit zou wel overwaaien, toch?

Ik ben maar drie uur in Helmond geweest. Dat is veel te kort om een goed beeld te krijgen van de troubles. Misschien bestaan ze helemaal niet.

Wat wel bestaat, volgens mij, is een overheid die zich steeds verder wil terugtrekken en die het liefst niet alleen treinen, stroom, zorg en postzegels geprivatiseerd ziet, maar ook handboeien en wapens.

Een nachtwakerstaat vind ik prima, zolang dat maar betekent dat de staat ’s nachts de wacht houdt. Ik wil niet zelf knokken. Ik wil geen privébewaker naast de fles joppiesaus.

Arjen van Veelen is redacteur van nrc.next.