Boze fietser

Een man en vrouw stonden hand in hand de voorgevel van een appartementengebouw in de Jordaan te bekijken. Een bordje van de makelaar vermeldde dat er nog enkele appartementen te koop waren. Je kon goed merken dat het paar er wel iets voor voelde.

Ze liepen tegen de vijftig, misschien waren ze uitgekeken op de provinciestad waar ze hun kinderen hadden grootgebracht. Een nieuw leven in Amsterdam lokte, zeker op mooie zomeravonden als deze. Je wilt jezelf op je sterfbed niet het verwijt maken dat je te lang bent blijven hangen op de plek waar je zo weinig meer te zoeken had.

Ze wezen elkaar op ornamenten in de gevel en de vrouw deed daarbij één stap naar voren, zodat ze midden op de smalle straat kwam te staan. Op dat moment kwam een donkerharige, vrouwelijke fietser de hoek om, in straf tempo. Ze moest schielijk afremmen en afstappen om een botsing te voorkomen.

Zoiets kun je een Amsterdamse fietser beter niet aandoen. Die hebben doorgaans veel haast en tonen weinig geduld met onwennige toeristen, zebrapaden en verkeerslichten.

„Kijk toch uit”, snauwde de fietser en ze baande zich ruw een weg langs, bijna dóór de voetganger, die geschrokken terugdeinsde.

Op hetzelfde moment passeerde te voet een bejaarde man, die tegen de fietser zei: „Nou zeg, u kunt toch zelf ook wel een beetje rustiger rijden.”

Daarmee leek het incident gesloten. Totdat de fietser, inmiddels boos doorgereden, een soort esprit de l’escalier kreeg, of beter: de la bicyclette. De ingeving bracht haar tot stilstand. Ze draaide zich om en riep naar de man: „Ik vind het niet…eerlijk.”

„Wat is daar niet eerlijk aan?” vroeg de man verbaasd.

De vrouw keerde zich met de fiets aan de hand om en liep naar de man terug. Haar ogen stonden groot van woede. Het viel me nu pas op dat ze vermoedelijk van Zuid-Europese of Latijns-Amerikaanse afkomst was. „Wat u daar zegt, het is niet…eerlijk”, zei ze.

„Wat nou niet eerlijk”, zei de man, „u kunt er toch ook rekening mee houden dat er mensen rondlopen die niet zo bekend zijn met de stad?”

De vrouw keek hem scherp aan, terwijl ze tevergeefs naar de goede woorden zocht. Ze stapte maar weer op, stikkend in haar verontwaardiging. Maar twintig meter verder kwam opnieuw die koppige esprit over haar, ze draaide zich om, stak een middelvinger in de lucht en riep: „Fuck you!”

„Hoho!” riep de man achter haar. „Dat is nou onfatsoenlijk.”

Wat ik vreesde, gebeurde: de vrouw stopte wéér, draaide zich wéér om en liep wéér met haar fiets naar de man terug. „Het is niet…”, zei ze.

„U had ook kunnen bellen”, zei hij, „maar u had zeker geen bel.”

„Wél bel…” Ze liet de bel klinken: een rasperig geluid zonder belklank. Ze keek de man vernietigend aan en stootte uit: „Het is niet…eerlijk, jij zegt dat tegen mij omdat ik allochtoon ben.”

De man keek even beduusd voor zich. „Wat flauw…”, zei hij.

De vrouw fietste weer weg, nu met iets van triomf in haar trap. „Ja!” riep ze, „ja!”

De bejaarde man trok even met zijn schouders en liep door.

Achter hem stond nog steeds dat echtpaar de gevel van het appartementengebouw te bekijken, zich niet bewust van dit multiculturele dramaatje, dat elke Amsterdammer kan overkomen. Toch zou ik ze willen adviseren: kópen. Fijne stad, ondanks alles.

    • Frits Abrahams