Verregende vakanties van A.M. Gorter

A.M. Gorter (1866-1933). Schilder van het Oost-Nederlandse landschap. T/m 16 okt, Stedelijk Museum Zutphen, museazutphen.nl ****

De landschapsschilder Arnold Marc Gorter (1866-1933) werkte nog in een Haagse School-idioom in de eerste decennia van de twintigste eeuw, toen de meeste schilders van de Haagse School al oud of overleden waren. Terwijl luminisme en kubisme opkwamen, bleef hij stemmige maar ongevaarlijke natuurtaferelen schilderen. Daar kon hij goed van leven. ‘Geen enkel schilder wordt er / Zoo zeer gekocht als Gorter’, zo begon in 1904 een hekeldicht in het tijdschrift De Ware Jacob.

Soms werkte hij te veel voor de markt. Dan waren zijn landschappen op het randje van routineus of clichématig. Maar de overgrote meerderheid van de zestig werken op een tentoonstelling over Gorter in het Stedelijk Museum in Zutphen ziet eruit alsof hij meende wat hij schilderde. Hij híéld van bruin riet en witte berkenstammen, van karrensporen in de modder. Werkelijk. Je ziet dat hij plezier had in de steile rand van zand en gras langs een beek, of in een haast willekeurige uitsnede van een paar vierkante meter bos in het najaar, een schilderijtje van gras en struiken met al wat oranjebruin door het groen.

De sfeer die Gorter in verf wist te vatten raakt nooit gedateerd. Het is de sfeer van verregende vakanties in eigen land, waaraan je later toch met plezier en weemoed kunt terugdenken. Hij waagde zich ook wel eens aan een straatje in Kairo, het Parthenon in Athene of een rotslandschap in Noorwegen (waar hij in 1922 met koningin Wilhelmina naartoe reisde), maar het liefst werkte hij in Oost-Nederland. Aan het landschap in de buurt van Vorden had hij genoeg voor een heel schildersleven.

Dat is trouwens een verschil met de landschapsschilders die hij navolgde: Gorter werkte in een gebied dat door de Haagse School nog nauwelijks was ontgonnen. En ook in formeel opzicht voegde hij wel iets eigens aan hun Hollandse impressionisme toe. Opvallend vaak bouwde hij schilderijen op in verticale vegen, die regenachtig aandoen maar lichtval of atmosfeer voorstellen. In boomstammen of waterspiegelingen ziet die verticaliteit er logisch uit, maar Gorter benaderde dikwijls ook land, wolken en zonlicht met neerwaartse penseelstreken. De lucht valt met bakken uit de hemel. ‘Neerzegenende zongloor’, noemde Louis Couperus dat.

Couperus is een van de vele schrijvers over Gorters werk die wordt aangehaald in een onlangs verschenen monografie door Paul Gorter, kleinzoon van de schilder. Het boek – duidelijk het resultaat van vele jaren graven naar werk en documentatie – geeft een goed beeld van de schilder Arnold Gorter, maar ook van zijn persoon. Hij was een spil in de Nederlandse kunstwereld aan het begin van de vorige eeuw: voorzitter van de Amsterdamse kunstenaarsverenigingen Arti et Amicitiae en Sint Lucas, vriend van zowel de Tachtigers als Mondriaan en Sluijters. En van de koningin. Zijn werk werd tentoongesteld in Parijs, Berlijn en München en verzameld tot in Amerika.

Vandaag de dag is Gorter zo beroemd niet meer. Hij baarde natuurlijk geen opzien, was geen vernieuwer. Maar hij was wel een kundig voortzetter van het oude. Daarom is het goed dat er nu een tentoonstelling en boek aan hem zijn gewijd.

    • Gijsbert van der Wal