Vandaag ga ik het doen

Wel naar zijn huis gaan? Niet naar zijn huis gaan? Wel gaan? Niet gaan?

Eerste deel van een serie over de stap tussen dromen en daden.

Vandaag ga ik erheen. Ik heb je huis altijd al willen zien. Je gezicht werd lichtgeel van angst toen je hoorde dat ik erlangs moest. Ik moet toch echt naar die zomercursus. Daar blijkt het pal tegenover, het huis dat door jou angstvallig verborgen is gehouden. Nu ga ik er langs. Kan ik ook een keertje zeggen: „Kan het niet helpen, het zijn nou eenmaal de omstandigheden.”

Ik sta deze dag maar even rustig op. Blijf liggen in mijn bed. Ik heb mijn olijfgroene dekbed met blaadjes erop nooit meer verschoond sinds je vertrek. Het heeft iets bizars vind ik, afscheid nemen, terwijl we nog zielsveel aan elkaar verbonden zijn, terwijl je me nog elke dag vraagt of ik alweer mijn favoriete spinazie heb gegeten. Terwijl ik je nog een heleboel verhaaltjes wil vertellen die niemand anders belangrijk vindt. Terwijl je altijd graag naar me toekomt: „Hey, kom je buiten spelen?” En dat al mijn organen rustig worden als ik dat doe.

Ik lig te wachten. Waar wacht ik op? Ik vraag het aan mijn plafond. Op je sms’je: „Heb je al ontbeten?” In plaats daarvan begint mijn bed te kraken. Niet alleen omdat ik rechtop ga zitten. Omdat mijn bed, niet ik, wil onthouden dat je leeft, net als het diepst van mijn laken, wat mij tot laat deze ochtend je hartslag nog geeft. Nee, ik zoek niet naar je kussen. Mijn handen hebben een te goed geheugen, vermijden nu het landschap van je lichaam op mijn bed. Terwijl jij ondertussen… je bent nu ergens anders….Loop je in je keuken? Zaag je in je tuin?

Ik duik onder de douche, in het aquarium van mijn douchegordijn. Ik hoor jouw blijdschap in mijn stem als ik na het douchen zingend in de spiegel kijk. Het zullen mijn „blozende borsten” wel zijn. Als ik me afdroog, zie ik je gezicht nog vastzitten aan mijn oranje handdoeken. Je borstkas ook met dat kuiltje erin. Je ranke heupen, je lendenen. Je boent onze groene blaadjes grondig van je af. Ik trek snel wat kleren aan. Gooi de handdoek op de tegels. Ik had je eronder verstopt. Tot nu. Straks ga ik je voor het eerst achterna.

Ik loop de kamer in en hoop tegen beter weten in op een vrolijke herinnering. Maar ik zie je lichaam op mijn blauwe bank, je rug huilt en schokt ongecontroleerde hoeken in de lucht, je nek verkrampt, je armen zitten verstopt. Ik zie mezelf, woest: „Jij gaat terug naar je keurige brave leven, zonder een spoor van mij, en ik loop hier tussen resten van jou.” Kwaad omdat je het zomaar met me eens bent als ik wil stoppen. „Ja, stoppen is het beste voor je”, snik jij. „Praat voor jezelf!” brul ik. Als een wolvin sleep ik je mee mijn groene bed in. „Ik heb verdomme niet voor niets mijn dekbed verschoond.”

Jij zegt nooit nee. Jij weet ook wel dat onze hartenlust gevaarlijk zal blussen, verzachten, verslinden. Het wetende water wacht al op ons. We springen er met open ogen in. We verdrinken, versmelten. Woede spoelt weg. Kracht blijft over als we bovendrijven. Ik zwem nog even door. Onzichtbaar. Om het bommetje dat je onder mijn bed legt als je daarna verdwijnt niet te voelen.

Ik loop de straat op, naar de tram. Ik zie jou, tot mijn grote ergernis, in de kleine kinderen die op straat lopen. Ik voel nog steeds de vrijheid van je gedachtes als ik me in de kleurige dag onderdompel. Ik proef je gulzige, zachte gesprekken, je mond, die je elke dag kwam brengen, omdat je er geen genoeg van had. En „de vlinders waren het met je eens”. Ik stop. Ik moet terug. Ik ga niet. Ik wil jouw huis niet zien. Ik wil naar mijn groene bed. Laat mij uit jou opstaan. Kleeft je huid nog aan mijn handen. Hangt je adem er nog aan. Maar ik loop door.

De tram rijdt al bijna een uur. Ik kijk naar buiten. De zon schijnt. De bomen hebben te veel blaadjes. Welk nummer ook alweer? Zou het echt bestaan? Zijn we er al? Mijn ogen schieten naar links, naar rechts, tussen de voordeuren, naar een open raam met begonia’s op de vensterbank en drie porseleinen eenden. Nee, dat is de verkeerde. Daar is het. Daar is jouw nummer, jouw huis. Kleiner dan ik dacht, handig dichtbij de snelweg. Ben je lekker snel weg. Ik voel iets gevaarlijks opkomen, een neiging om te gaan dansen in je vrome voortuin. Wees niet bang, dat doe ik niet, omdat ik zie dat je geen voortuin hebt.

De tram stopt. Ik stap uit. Ik staar op veilige afstand naar je voordeur, de ramen. Er zijn zelfs meer verdiepingen. De zolder waar je dagelijks sms’te: „Wat ben je aan het doen?” Ik zie iets bewegen achter het raam. Ben jij het? Ik loop door, doe alsof ik telefoneer. En wat dan nog, je hebt maanden naar mij gegluurd. Nu gluur ik naar jou. Er valt niet door je huis heen te gluren. Er is te veel muur. Er zijn te veel luxaflex. Achter je slaapkamerraam hangen truitjes en jouw spijkerbroek te drogen.

Die spijkerbroek die wij zo graag open ritsten in de bioscoop.

Ik zie je in mij verdwijnen in het donker in een portiek aan de gracht. Je duwt me ergens tegen aan. Het zwarte water twinkelt achter je, je gelukkige gezicht in het oranje schijnsel van een lantaarn. Ik ruik het wasmiddel in je trui. Ik proef liefde en je schuldgevoel. Ik zie jouw handen als ik naar mijn handen kijk, omdat je er altijd mee speelt als je met me praat. Zelfs vierhonderd sms’jes, tweehonderd chats en drie pakken condooms later ontroeren ze me nog steeds. Omdat ik meer werd in plaats van minder, als ik in ze opging. Ik staar weer naar jouw gladde grijze voordeur, de beige bakstenen. Ik proef de veiligheid en je moeilijkheden. Nu ik ernaar kijk besef ik dat dit huis voor ons nooit een obstakel is geweest. Dat is het zojuist geworden. Omdat ik het zie.

Ik wil weg. Het is genoeg. Laat maar, die zomercursus. Ik ga terug naar mijn buurt, mijn eigen krakende Pippi Langkousbed. Mijn badkamer wordt dit jaar nog gerenoveerd. Zal ik daar tenminste geen sporen meer van ons vinden. Behalve als ik in de spiegel kijk.

Ik loop de Hema in. Het is tijd voor een nieuw dekbed. En terwijl ik tussen de schappen loop hoor ik een van onze laatste gesprekken. „Wat als je verdwijnt en nooit meer wat van je laat horen?” „Dat zou ik nooit doen”, zeg jij op jouw bezwerende geruststellende toon. Ik zeg: „Ik ook niet.” Ik kies een vrolijk donkerrood en wit bloemenmotiefje.

Monica de Ruiter (1971) is beeldend kunstenaar en schrijfster.