Turken niet verplicht tot inburgeren

07-06-2003, AMSTERDAM. PUBLIEK BIJ DE WEDSTRIJD OM HET NEDERLANDS KAMPIOENSCHAP TUSSEN FC TURKIYEMSPOR EN SV HUIZEN. FOTO BAS CZERWINSKI Nederlandse Turken bij een voetbalwedstrijd van de Amsterdamse club FC Turkiyemspor, inmiddels opgeheven. Foto NRC / Bas Czerwinski

Turkse immigranten zijn niet verplicht een inburgeringsexamen af te leggen, op basis van een associatieverdrag tussen de Europese Unie en Turkije. De Centrale Raad van Beroep verwierp vanmorgen een hoger beroep van de gemeenten Vlaardingen, Rotterdam en Roermond.

Lagere bestuursrechters oordeelden al eerder dat Turkse inwoners niet onder de inburgeringsplicht vallen omdat het Associatieverdrag van de Europese Unie met Turkije dat verbiedt. Daarin staat dat lidstaten geen extra belemmeringen voor de arbeidsmarkt op mogen werpen voor Turkse migranten, die worden gezien als toekomstige EU burgers. Aangezien zakken voor het examen een verblijfsvergunning in gevaar kan brengen, vindt de rechter dat de inburgeringsplicht juist een obstakel is voor het vrije verkeer van Turkse arbeidsmigranten. Juridisch moeten Turkse migranten gelijk worden gesteld aan inwoners van andere EU landen, voor wie ook geen inburgeringsexamen geldt.

In de uitspraak die de Centrale Raad van Beroep vanochtend doet, wordt vastgesteld dat een lidstaat niet bevoegd is om het stelsel van geleidelijke integratie van Turkse staatsburgers in de arbeidsmarkt eenzijdig te wijzigen. Ook mag een lidstaat geen maatregel toepassen waardoor de uitoefening van uitdrukkelijk door de Europese Unie aan Turkse staatsburgers toegekende rechten wordt beperkt. De Centrale Raad baseert zich daarbij op een serie uitspraken die het Europese Hof in Luxemburg eerder deed over deze kwestie.

‘Examen leidt tot zwakkere positie op de arbeidsmarkt’

Juridisch redacteur van NRC Handelsblad Folkert Jensma schreef over het bezwaar dat twee Turken tegen verplichte deelname aan het inburgeringsexamen maakten op grond van hun nationaliteit. Jensma beschreef hoe de rechter dit oploste:

“Is zo’n examen inderdaad te beschouwen als een drempel, een plicht die anderen niet treft en dus een vorm van discriminatie? Of is het extra hulp. De rechter vindt het geen moeilijke vraag. Studeren kost tijd en energie die je niet aan iets anders kunt besteden. Wie zakt krijgt een boete. En wie het helemaal niet haalt krijgt geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat leidt onvermijdelijk tot een zwakkere positie op de arbeidsmarkt, moeilijker loopbaanperspectieven, minder kans op een hypotheek etc. Er is dus inderdaad sprake van onderscheid bij toegang tot de arbeidsmarkt. Een Turkse migrant heeft hier andere plichten dan een Griek.”

Geen onderscheid tussen Turken en EU-burgers

Het onderscheid tussen Turken en bijvoorbeeld Grieken werd bij een arrest van het EU Hof in Luxemburg in april 2010 verworpen, schrijft Jensma:

“Toen maakten Turkse migranten bezwaar tegen de hoge kosten die ze voor hun eerste vergunning moesten betalen. Hoger dan voor burgers uit EU-landen. Mocht dat? Wat wilde de wetgever eigenlijk tot stand brengen met dat verdrag? Volgens het EU-Hof in Luxemburg willen de landen ‘de situatie van Turkse staatsburgers dichter bij de situatie van burgers van de Unie [..] brengen door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen’. Beperkingen van de vrijheid binnen de EU te wonen en werken moesten juist vervallen. Hogere bedragen voor vergunningen alleen voor Turken mogen dus niet. In september 2009 had het Hof dat ook al gezegd over de kosten voor het verlengen van de vergunning. De kosten die Turkse migranten betalen moeten zich evenredig verhouden tot de plichten voor EU-burgers.”

Ook de Nederlandse regering zou volgens Jensma liever zien dat Turken een inburgeringscursus doen, en heild ondanks verloren procedures in Luxemburg vol:

“De inburgeringsplicht voor Turkse arbeidsmigranten wordt door een politieke meerderheid in de Kamer juist gewenst. Ook het kabinet is er een voorstander van. Daar wordt het inburgeringsexamen juist gezien als een steun bij het krijgen van een baan, niet als een drempel. Onder deskundigen in het vreemdelingenrecht bestaat al jaren onrust over de inburgeringsplicht voor Turken, waarvan de strijdigheid met het Europese recht volgens velen al tevoren vast stond. Nederland verloor al menige procedure in Luxemburg, maar hield toch vol. Behalve drie gemeenten was ook het ministerie van Binnenlandse Zaken in beroep gegaan. Dat beroep nam de Centrale Raad niet in behandeling omdat het oordeelt dat de minister geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.”

Lees de uitspraken hier en hier terug

    • Peter van der Ploeg