Mannen die tegen de wind inbeuken

De Ronde van Vlaanderen is meer dan een wedstrijd. Een dag waarop een heel land zich laaft aan koers. Het Centrum van de Ronde van Vlaanderen eert die beleving.

Sfeerbeeld uit de Retro-ronde, een ludieke tocht voor wielertoeristen. Foto CRVV

In een hoek van de Grote Markt van Oudenaarde staat een kastanjekleurige Volvo. Veertig jaar geleden diende de oldtimer nog als ploegwagen voor de mythische wielerploeg Molteni, waarvoor onder andere Eddy Merckx en Rini Wagtmans koersten. Nu markeert hij de ingang van het Centrum van de Ronde van Vlaanderen, een belevingsmuseum gewijd aan de historie van Vlaanderens Mooiste.

De locatie van het museum is niet toevallig. Rondom Oudenaarde beginnen de bossen en de akkers te glooien. De stad is dan ook een vaste pleisterplaats in de Ronde van Vlaanderen. In Oudenaarde hebben de renners in Vlaanderens Mooiste doorgaans al 180 kilometer afgelegd. Maar hier begint het pas echt. Tien kilometer verderop liggen met de Oude Kwaremont, de Paterberg en de Koppenberg drie van de meest mythische rondehellingen.

„Eigenlijk is dit niet echt een museum”, waarschuwt directeur en oud-wielerjournalist Rik Vanwallegem. „Ik denk dat maar 25 procent van de bezoekers naar het museumgedeelte gaat.” Het centrum van de Ronde van Vlaanderen is eerder opgevat als een ontmoetingscentrum. Naast het museum is er ook een brasserie, een winkel en een conferentiezaal. Het Centrum organiseert ook activiteiten voor wielertoeristen, zoals de Retro-ronde.

De expositie begint met een sfeerfilmpje, dat de bezoekers genadeloos in de sfeer van de ronde onderdompelt. Onder luid aanzwellende, heroïsche achtergrondmuziek flitsen beelden van de afgelopen edities voorbij. Beelden van bonkige mannen die met de bek open tegen de wind inbeuken, hun ruggen gekromd als de rug van de kasseien zelf. Ex-winnaars als Rik Van Steenbergen, Rik van Looy, Eddy Merckx, Eric Leman, Johan Museeuw, Tom Boonen en Stijn Devolder lopen naadloos in elkaar over. De introductie heeft ook oog voor de folklore en het landschap.

Het museum zelf begint bij het begin: 1913, de eerste Ronde van Vlaanderen. Een barre tocht van 324 kilometer met start en aankomst in Gent, over tramsporen en grindpaden. 37 renners kwamen aan de start, slechts 16 dapperen reden de koers uit. Winnaar Paul Deman deed er twaalf uur over. Hij zou tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn brood blijven verdienen met fietsen, als spion.

Zoals elk museum heeft ook het Centrum van de Ronde van Vlaanderen zijn prachtstukken. Zo is er een historisch overzicht van de evolutie van de racefiets. Dat begint met een verroeste Minerva uit 1935 en eindigt met het carbon rijwiel waarmee Johan Museeuw in 2004 zijn laatste Ronde reed. Er is ook een volledig intacte Flandria-wagen, met de reservefietsen nog op het dak.

Uiteraard moet het in een dergelijk museum ook gaan over de flandriens. Deze ‘rauw vleesch etende menschen’ werden in de jaren ’20 door Ronde van Vlaanderen-bedenker Karel Van Wijnendaele gerekruteerd om zesdaagsen te rijden. Deze flandriens, ‘mannen gekapt uit de steen waarvan standbeelden worden gemaakt’ maakten furore tot in New York en Chicago, waar ze de tegenstand helemaal murw reden met hun agressieve manier van koersen.

De grootste van hen was Albéric ‘Briek’ Schotte, de laatste der flandriens, die als enige ooit twintig keer op rij de Ronde van Vlaanderen zou rijden. Schotte was een geweldenaar, een stoemper die puur op wilskracht en doorzettingsvermogen zijn wedstrijden won. Een oersterke West-Vlaming, die standaard met vliegeniersbril en twee binnenbanden rond het middel koerste en zijn schoenplaatjes met acht ‘kloefnagels’ aan zijn schoenzool vastnagelde.

Voor sportievelingen is er ook een actief gedeelte. Op een speciale hometrainer kunnen bezoekers het kasseigevoel ervaren. Via een computersimulatie kunnen de echte flandriens zich ook meten met tweevoudig winnaar Peter van Petegem, en om het hardst de Oude Kwaremont oprijden.

De Ronde van Vlaanderen gaat om helden, niet alleen over winnaars. Er is ook een volledige muur gewijd aan de renners die er vaak dichtbij waren, maar de Ronde nooit hebben gewonnen. Dat is het geval voor wielergrootheden als Freddy Maertens, Sean Kelly en Felice Gimondi. Maertens zou twee keer wereldkampioen worden maar won nooit een kasseiklassieker. Het centrum heeft hem nu als gastheer geadopteerd.

Minstens even belangrijk als het museum is de brasserie, waar lokale specialiteiten in een wielerjasje worden gestopt. Zo zijn er gerechten als de spaghetti Boononaise en de coupe Koppenberg. De wijnen komen van de wijngaard van de Italiaanse ex-wereldkampioen Francesco Moser. Naar goede Vlaamse gewoonte is er natuurlijk ook een verzameling streekbieren. Briek Schotte had gelijk toen hij zei dat de kroegbazen „de echte pioniers van het wielrennen” waren.

    • Jeroen Zuallaert