Koeien sabbelen aan onze tenen, ze zijn wanhopig

De lokale bevolking wordt volledig opgeslokt door het vluchtelingenkamp Dadaab.

Kenianen hebben er genoeg van. De vluchtelingen hebben het beter dan wij, zeggen ze.

De drinkplaats is omringd door karkassen van ezels, koeien en kamelen. De nomade Hussein geeft zijn overgebleven vee water te drinken. „We zijn standbeelden geworden”, zegt hij. „We zijn vermoeid en tot stilstand gekomen, we zijn geen mensen meer.”

Zijn vrouw Mariam schudt het hoofd. „De koeien sabbelen aan onze tenen, ze zijn wanhopig”, vertelt ze. „Als we ze vastbinden, eten ze het touw op. En vervolgens vreten ze de daken van onze woningen op.”

Buja Mathow op de uitgedroogde savannes van Noord-Kenia ligt op dertig kilometer afstand van de Somalische grens. Iedere dag trekken bij de waterplaats uitgehongerde vluchtelingen uit het buurland langs. Of slimme zakenlui komen ze voor een stevige prijs in vrachtwagens in Somalië ophalen.

„Ziet u die lege vrachtauto daar?”, vraagt Hussein. „Vlak voor uw komst zat de wagen vol met vluchtelingen. Toen de chauffeur de stofwolk van uw auto zag, gaf hij hen opdracht zich in de bush te verbergen. Want er houden zich ook gedeserteerde Somalische regeringssoldaten en leden van de rebellengroep Al-Shabaab op onder de vluchtelingen en zij mogen er niet in van de Keniaanse regering.”

Khalif Mira woont zestig kilometer verderop, bij het vluchtelingenkamp Dadaab met 400.000 zielen. Een straffe wind raast door zijn kleren en lijkt daardoor zijn postuur op te blazen. „Laat de vluchtelingen opdonderen”, zegt hij met woede in zijn stem. „Hun komst brengt ons nóg meer armoede. Ze kappen onze bomen voor houtskool en hun vee graast onze laatste weidegronden kaal.”

Noord-Kenia heeft een schraal landschap met karige hulpbronnen, het gebied kan een plotselinge overbevolking niet hebben. Er ontstaan conflicten tussen de plaatselijke bevolking en de buitenlanders, dat is niet ongewoon bij een vluchtelingencrisis. De vluchtelingen hebben het beter dan wij, zegt de lokale bevolking. Zij krijgen voedsel en scholing, alleen voor hen heeft de buitenwereld belangstelling, wij worden vergeten. Het zijn veel gehoorde geluiden, ook nu weer in Kenia.

„Het vluchtelingenkamp heeft de plaatselijke bewoners opgeslokt”, erkent Fafa Attidzak, hoofd van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. „De Kenianen vragen zich af hoe hun woongebied zomaar kan worden ingenomen.”

Daarom is de Keniaanse regering huiverig voor het afstaan van meer land aan de hulporganisaties. Het onherbergzame noordoosten van Kenia en Somalië kennen hetzelfde landschap, dezelfde etnische Somaliërs en dezelfde problemen van extreme armoede.

De voertaal in dit deel van Kenia is het Somalisch, de spaarzame goederen komen uit de Somalische havenstad Kismayo, de mannen discussiëren niet over de politiek in de Keniaanse hoofdstad Nairobi, maar over de burgeroorlog in Somalië. Er is één belangrijk verschil: in Kenia is nog sprake van enige ontwikkeling, Somalië is kapot.

De beste voorzieningen zijn in het vluchtelingenkamp, met negentien basisscholen, zes middelbare scholen, drie ziekenhuizen en drie bibliotheken. In het in 1991 gestichte tentenkamp zijn ruim 5.000 winkeltjes die jaarlijks, volgens een studie van de overheid, 25 miljoen dollar omzetten. Het nabijgelegen Keniaanse stadje telt 370 winkeltjes, met een jaarlijkse omzet van 1,3 miljoen dollar.

„Ik blijf hier in Dadaab wonen”, zegt de 25 jaar oude Somalische vluchteling Abschiro Odowa. „Mijn kinderen gaan naar school, ze zijn hier veilig. In Somalië worden ze gerekruteerd voor milities, in Somalië valt niet meer te leven.”

    • Koert Lindijer