Er is geen gevoel van gezamenlijkheid meer

Met zijn New Alphabet en postzegels heeft Wim Crouwel een stempel gedrukt op de grafische vormgeving.

Het Stedelijk Museum eert hem nu met een overzicht.

Zijn vrouw, tien jaar jonger dan hij, belde hem op vanuit New York. Ik sta hier voor een wand in het MoMA en weet je wat ik zie? Zijn alfabet.

„Dat was een heerlijk moment, ja”, zegt Wim Crouwel, grafisch vormgever, ontwerper van tentoonstellingen. De letters van dat alfabet, New Alphabet, ken je waarschijnlijk wel. Opgebouwd uit rechte balken, met alle beperkingen daarvan. Geen rondingen, alleen horizontale en verticale lijnen. Denk ruimtevaart, denk opkomende computertechnologie. Wim Crouwel bedacht het in 1967. Zijn postzegels ken je zeker: twee cijfers op een monochrome achtergrond met rechtsboven een ‘c’ voor ‘cent’ en onderaan ‘nederland’, zonder hoofdletter. Bedacht in 1976 en in gebruik tot 2002.

In november wordt hij 83, in het Stedelijk Museum in Amsterdam is nu een tentoonstelling van zijn werk te zien. Crouwel ontwierp van 1963 tot 1985 alle affiches van het museum. Altijd met die grote, schreefloze S en M, dicht tegen elkaar aan.

Nu zit hij op zijn Frank Gehry-stoel – opgerolde blankhouten latten – in zijn Amsterdamse appartement en kijkt afwachtend. Maar waar begin je bij iemand met zo’n lang verleden, zo’n groot oeuvre?

Hoe is het om 82 te zijn?

„Lastig. Je loopt moeilijker, je krijgt last van je hart. Het ergste vind ik het verlies van energie. Ik ben net niet zo ver dat ik ’s middags een slaapje moet doen, maar hoe lang zal dat nog duren. Mijn geheugen wordt slechter, al herinner ik me elke dag meer van vroeger. Dat is wel weer leuk.”

Hij deed de opleiding beeldende kunst aan de Academie Minerva in Groningen. Tot 1953 dacht hij dat hij een schilder was. Hij schilderde landschappen. Onder invloed van de schilders van De Ploeg werden ze steeds abstracter. De Ploeg was een Gronings kunstenaarscollectief. Expressionisme, constructivisme. In 1953, hij woonde al in Amsterdam, stopte hij er rigoureus mee.

Dat ging zo: „Ik zocht werk en liep reclamebureaus af, nergens wat te vinden. Toen leerde ik Dick Elffers kennen, de affichemaker, en hij bezorgde me een baan bij een tentoonstellingsbouwbedrijf. Er kwam een opdracht in het kader van de Marshallhulp binnen: ontwerpen inrichten van varende tentoonstellingen in rijnaken. Ik ging samenwerken met Zwitserse vormgevers en door hen raakte ik geïnteresseerd in typografie. Die Zwitsers gebruikten maar één lettertype: schreefloos, zeer esthetisch. Ik werd er helemaal verliefd op.”

Hij ging terug naar school, de voorloper van de Gerrit Rietveld Academie, voor een opleiding typografie.

Het PTT-paviljoen voor een tentoonstelling in Rotterdam Ahoy. Het Benelux-paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Brussel. De Atoomtentoonstelling op Schiphol. Vanaf 1956 werkte Wim Crouwel ook voor Artifort Meubelen, voor Linoleum Krommenie, voor Bruynzeel, voor de Stichting Goed Wonen. Het doel van die stichting was: het Nederlandse volk een betere wooncultuur bij te brengen. Licht, lucht, eenvoud.

De jaren vijftig, zegt Wim Crouwel, waren zijn opkomstjaren. De jaren zestig: die van het experiment. Hoe berekend (als in: gebaseerd op berekeningen) en rationeel kan een ontwerp zijn? In de jaren zeventig werd het „knokken”.

Renate Rubinstein noemde u in Vrij Nederland in 1978 een exponent van de nieuwe lelijkheid.

„Zij trok ten strijde tegen alle moderne ontwerpers, alle moderne architecten. Wij hadden het gedaan. Ik kende haar niet, maar zij organiseerde een ‘Avond van de Lelijkheid’ in Paradiso en daar werd ik ook voor uitgenodigd. Ze vond alles wat ik maakte lelijk. Ze liep ook te hoop tegen de villa’s van Van Gool die toen tegenover het Rijksmuseum werden gebouwd.”

Hoe kwam het dat u uit de mode was geraakt?

„Mensen gingen zich in de jaren zeventig ergeren aan de rechtlijnigheid van vormgeving en architectuur uit de jaren daarvoor. Ze vonden de oude villa’s aan de Weteringschans veel mooier. Villa’s van rond 1880. Neo-gotiek, neorenaissance, neobarok.”

En u?

„Ik vond die villa’s verschrikkelijk en ik vind ze nog steeds verschrikkelijk. Die onbegrepen decoratiezucht. Die angst voor elke rechtlijnigheid. Op die ‘Avond van de Lelijkheid’ kreeg ik alle gelegenheid om te zeggen hoe ik erover dacht, maar ik geloof niet dat ik toen veel mensen overtuigd heb. Renate Rubinstein was een romantica. Ze was de verpersoonlijking van de tijdgeest die toen heerste.”

Wim Crouwel pakt een boek van de graficus Oxenaar, ontwerper van bankbiljetten toen we de gulden nog hadden. Hij laat een portret van Renate Rubinstein zien, getekend door Oxenaar met daarbij de tekst ‘dit lijkt niet op Peter Vos’, de tekenaar die zij zeer bewonderde. Om haar heen: getekende dieren en daaroverheen, hard, de letters WC in Crouwels New Alphabet. WC: Wim Crouwel. Een parodie.

Deed het u goed?

„Ja, hoor. Het was een bijval uit een onverwachte hoek. Ik had toch gelijk!”

U lijkt niet onder een gebrekkig ego te lijden.

„Zeker niet. Ik ben altijd van mezelf overtuigd geweest. Ik sta nog altijd achter alles wat ik heb gezegd en geschreven. Ik wéét dat ik gelijk heb.” Dit ziet er op papier arroganter uit dan hij in het echt klinkt. Hij lacht erbij en hij zegt er achteraan: „Geloof ik, hoor.”

Waarin heeft u gelijk?

„In mijn pleidooi voor helderheid, voor onverhulde typografie, voor rationaliteit, voor ontwerpen op basis van een stramien. Ik kan me voor mezelf geen typografie voorstellen zonder stramien.”

Wanneer is die zekerheid begonnen?

„Eind jaren vijftig al, toen ik de Zwitsers had leren kennen en ik voor het Van Abbemuseum was gaan werken. Het is ook een eigenwijsheid hoor. Ik schilderde niet meer, maar ik was wel lid van Creatie, een groep abstract werkende schilders. Zij hadden mij erbij gehaald. De Liga Nieuw Beelden werd opgericht – kunstenaars en architecten die in de voetsporen van Theo van Doesburg en Piet Mondriaan werkten. Dat had allemaal een geweldige invloed op mij.” Korte stilte. „De jaren vijftig waren voor mij echt geweldig.”

En de jaren tachtig?

„Toen was ik hoogleraar in Delft, hè. En decaan. Ik gaf college, elementaire vormstudie. Ik zat niet meer bij Total Design.” Zo heette het bureau dat hij met collega’s in 1963 was begonnen. „Alle mooie opdrachten had ik wel gehad.”

Hij gaat door over de jaren vijftig. „Goed Wonen had een methode ontwikkeld waarmee je kon beoordelen of een dressoir of ander meubelstuk goed ontworpen was en of het in een interieur paste. We geloofden er heilig in. Je zette er een fles melk op en als die detoneerde, dan was...” Hij lacht. „Dan was het dressoir verkeerd. Serieus. We gingen uit van de gedachte dat iets dagelijks als een fles melk geen contrast met het interieur mocht vormen. Heel betuttelend.”

Hoe typeert u de jaren negentig?

„Postmodernisme op zijn retour.” Hij trekt een vies gezicht. „Het postmodernisme vond ik een verschrikkelijke manier van denken en doen, dus ik was blij toen dat begon te verdwijnen. Dat teruggrijpen op historische vormen en in modern werk toepassen – ik vond het een lafhartig gebrek aan creativiteit. Daarna kwam het conceptuele denken terug en ik ben toen een tijdlang optimistisch geweest. Men was teruggekeerd van de verkeerde weg en men kwam weer terug op de goede. Maar ik had buiten de opkomst van het individualisme gerekend. Kijk naar wat er nu gemaakt wordt. Van tentoonstellingen tot gebruiksvoorwerpen en typografie, iedereen probeert het wiel opnieuw uit te vinden. Er is geen gevoel van gezamenlijkheid meer. Er wordt geen collectief idioom ontwikkeld. De Zwitserse manier van denken was wereldomspannend. Dat is voorbij.”

En uw manier van werken is nu gewoon een van de vele manieren?

„Ja. Jammer dat we het niet meer met elkaar eens zijn en we onze individuele manier van doen het belangrijkst zijn gaan vinden. De computer maakt het ons ook heel gemakkelijk. Iedereen kan zonder veel moeite snel resultaat krijgen. Kritiekloze spielerei is het. Ik heb een nostalgisch verlangen naar eenheid van opvattingen.”

U ziet vast ook ontwerpers die het wel goed doen.

„Zeker. Karel Martens. De ontwerpers van Temporary I en II in het Stedelijk. Kom, hoe heten ze.” Het ergert hem dat hij niet meteen op hun namen kan komen. „Ik bedoel Mevis en Van Deursen. Het collectief Experimental Jetset. Jan van Toorn. Irma Boom. Lex Reitsma. Ontwerpers die het modernistische gedachtegoed op een persoonlijke en intelligente wijze ontwikkelen. Spannend werk. Er ligt een opvatting aan ten grondslag.”

De tentoonstelling ‘Wim Crouwel: een grafische ontdekkingsreis’ is nu te zien in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Inl. www.stedelijk.nl