Debat moet gaan over financiële autonomie

Excuses aangeboden, excuses aanvaard. Als het parlement voor deze houding kiest, en daar lijkt het op, kan er een streep worden gezet onder de faux pas die premier Mark Rutte (VVD) op 21 juli zette. Op een persconferentie na afloop van de Europese top over de reddingsoperatie voor Griekenland zaaide hij verwarring door andere cijfers te vermelden dan zijn collega-regeringsleiders en de Europese Commissie die avond deden. De minister-president gaf dit afgelopen vrijdag toe op zijn persconferentie en kondigde zijn verontschuldigingen erover aan.

Daarmee is de verwarring nog niet weg. Dus de premier en zijn minister van Financiën, Jan Kees de Jager (CDA), zijn de Tweede Kamer vandaag nog nadere toelichting verschuldigd in het ingelaste overleg dat zij met de commissie voor Financiën voeren. Het luistert nauw; de bewindslieden zullen bijvoorbeeld moeten uitleggen of en waarom zij in het Brusselse beraad op 21 juli hebben ingestemd met een akkoord dat verder ging dan de Tweede Kamer in meerderheid wenste.

Vervolgens is het te hopen dat politiek Den Haag zich buigt over de vraag of, naast noodgrepen die moeten voorkomen dat lidstaten van de Europese Unie omvallen, de tijd rijp is voor structurele ingrepen.

De Franse econoom Jacques Attali bepleitte zaterdag in NRC Handelsblad een Europees ministerie van Financiën. Daarmee was hij lang niet de eerste die het taboe doorbrak dat landen autonomie opgeven ten behoeve van gemeenschappelijk financieel beleid. Een logisch gevolg van het gegeven dat ze een gezamenlijke munt hebben, de euro. Onder de meeste Nederlandse politici was het tot nu toe allerminst bon ton om de onvermijdelijkheid hiervan te bespreken.

Maar in het regeringskamp is nu beweging zichtbaar. Fractieleider Sybrand van Haersma Buma van het CDA pleitte gisteren op de website van zijn partij „om een sprong vooruit te maken”. Met „een sterke waakhond” moeten lidstaten, op dit moment in het bijzonder de zuidelijke, worden gedwongen om hun begroting op orde te brengen en te houden. De CDA’er denkt daarbij aan een nieuwe Europese begrotingsautoriteit of een rol voor de Europese Centrale Bank. Zonder twijfel roept hij hiermee het ongenoegen van anti-Europa partner PVV op de hals, maar dat is nu eenmaal een consequentie van de politieke gedoogconstructie waarvoor VVD en CDA hebben gekozen.

Na de verwarring en de excuses is het tijd dat in de Nederlandse politiek het debat serieus op gang komt over zulke principiële, maar noodzakelijke koerswijzigingen. Over de macht en het afstaan daarvan.