Zwerver die gezag tartte werd nooit echte provo

Geen beter voorbeeld van de acteur die samenviel met zijn personage dan Joop Doderer. Maar ook Lou Geels bleef zijn hele leven Bromsnor, merkte John Kroonin Leiden.

Het swiebertje-effect is in de Nederlandse toneel- en theaterwereld zo’n gekend begrip geworden dat het vermelding heeft gekregen in het Witte Boekje, de spellinggids van het Genootschap Onze Taal. Wat alvast het voordeel oplevert dat het woord zojuist correct was geschreven.

In het Groot woordenboek van de Nederlandse taal, kortweg de Dikke van Dale, heeft ‘swiebertje’ een plek veroverd in de betekenis van ‘zwerver’: „Genoemd naar de zwerver Swiebertje, de hoofdpersoon van de gelijknamige televisieserie”. Het is tekenend voor de invloed die de komedie serie Swiebertje heeft gehad.

Hoewel uitgezonden in de jaren 1955-1975 is Swiebertje voor mij vooral verbonden met het eerste deel van de jaren zestig, nog voordat Provo was ontstaan, de jongerenbeweging die vanaf 1965 kortstondig maar effectief het gezag wist te tarten.

Het is in retrospectief verleidelijk om Swiebertje de eerste provo te noemen: het ontregelen van de autoriteit in de persoon van veldwachter Bromsnor was zijn specialiteit. Maar voor die kwalificatie was de zwerver te goedmoedig en bovendien genoot hij de sympathie van de burgemeester, wat van de provo’s in Amsterdam niet kan worden beweerd. Swiebertje bedacht grappige streken en was ondeugend op een manier die kinderen aanspreekt.

Joop Doderer (1921-2005) was de acteur die al die jaren de rol van de zwerver op zich nam en voor hem gold dus bij uitstek het swiebertje-effect. Het verschijnsel dat de acteur nooit meer kan worden losgezien van die ene rol die de rest van zijn leven aan hem blijft kleven, ongeacht tot welke dramatische prestaties hij daarna nog in theater, film of op televisie komt. Doderer leverde er vele, maar hij ging uiteindelijk maar in Engeland acteren.

In die vroege jaren zestig was televisie allerminst een vanzelfsprekend meubelstuk in Nederlandse huiskamers. Dat had een enkele maal te maken met het aan zekerheid grenzende vermoeden dat televisie het oog van de duivel was dan wel een bedreiging voor de beschaving vormde, maar meestal kwam het puur door geldgebrek. Dus gingen wij, buurtkinderen ergens in Woerden, naar die schaarse vertegenwoordiger van de middenklasse die genoeg gespaard had om zich een televisietoestel te kunnen veroorloven.

Elke woensdag- en zaterdagmiddag waren wij welkom in de voorkamer, mits we eerst onze schoenen uittrokken. Zittend op de grond schaarden we ons om de tv. Swiebertje was ons favoriete programma, gevolgd door Pipo de Clown, in een tijd waarin de televisie nog zwart-wit was en maar één kanaal telde. Maar niet alleen kinderen wensten de avonturen van de landloper te volgen, ook volwassenen keken mee. Hoorbaar was van tijd tot tijd het gelach van cameramannen en anderen die achter de schermen bij de opnames betrokken waren. Dat had alles te maken met Joop Doderer die er uitbundig op los improviseerde.

Maar de heer des huizes van het middenklassegezin, een wat breekbare man, vormde een uitzondering op de regel dat iedereen Swiebertje leuk vond. Hij keek niet mee, verbleef gedurende de uitzending in de achterkamer, riep af en toe met hoge en krakerige stem traag en pesterig „Swie..ber..tje”, en liet dat volgen door een zeer hoorbare en lang aangehouden flatus. Een woord dat wij trouwens niet kenden. Wel roept voor ons sindsdien het ‘swiebertje-effect’ een heel andere associatie op dan later gangbaar zou worden.

Bij het horen van de naam Swiebertje of bij gedachten daaraan echoën die geluiden nog altijd in mijn hersenpan na. Aan een swiebertje kun je dus ook een heel andere betekenis toekennen dan Van Dale heeft gedaan.

De onmisbare tegenpool van zwerver Swiebertje was de stevig geüniformeerde veldwachter Bromsnor, voor wie de term dienstklopper lijkt te zijn uitgevonden. Alleen al bij het uitspreken van de woorden ‘meneer de burgemeester’ bracht hij de hand naar de pet, ook buiten diens aanwezigheid.

Als iemand het Swiebertje-effect personifieert, is het wel de acteur Lou Geels (1908-1979). Hij was al die Swiebertje-jaren Bromsnor, hij bleef dat ook nadat de zwerver van tv was verdwenen door hem naar Canada te laten emigreren.

In de jaren zeventig stond hij opeens voor onze voordeur. Pet, zwart uniform, koppel, sabel. Stevige buik. Bromsnor bekeek, nee, inspecteerde de 3 oktober-optocht in Leiden, een jaarlijks onderdeel van de viering van ‘Leidens Ontzet’. En hij bleef dat nog jaren doen. De orde handhavend. Telkens voor onze deur. Lou Geels had geen last van een Bromsnor-effect. Bromsnor was echt.

    • John Kroon