Voorstel scheiding seksen in onderwijs

Scholen in het voortgezet onderwijs moeten gaan experimenteren met gescheiden lessen voor jongens en meisjes. Dat vindt Wim Kuiper, voorzitter van de Besturenraad, de vereniging van 540 christelijke schoolbesturen met 2.200 scholen. Hij deed zijn voorstel vanochtend in Trouw.

De scholen gaan weer beginnen. U dacht: een goed moment om eens een steen in de vijver te gooien?

„Ik hoop inderdaad dat het gesprek hier vandaag over gaat in de lerarenkamer. Dit voorstel komt voort uit mijn zorg over de achterblijvende prestaties van jongens in het voortgezet onderwijs. Het is bekend dat jongens en meisjes zich in hun puberteit anders ontwikkelen, en ook in een verschillend tempo. Waarom zouden we jongens en meisjes in deze periode dan niet bij bepaalde vakken apart lesgeven?”

Aan welke vakken denkt u?

„Wiskunde en de talen. Daar is het onderscheid tussen jongens en meisjes het grootst. Het gaat om enkele uren per week, gedurende een bepaald deel van de schooltijd. Later in de bovenbouw, als de verschillen tussen de jongens en meisjes minder groot zijn, kan iedereen weer bij elkaar zitten. Door jongens en meisjes les te geven op een manier die voor hen het meest geschikt is, bijvoorbeeld wat meer competitief voor jongens, kunnen de resultaten van deze vakken worden verbeterd. Ik vind dat het proberen waard.”

Uw voorstel heeft heftige reacties uitgelokt, waarbij de christelijke achtergrond van uw organisatie een rol speelt.

„Ja, alsof ik terug zou willen naar gescheiden scholen voor jongens en meisjes. Daar is geen sprake van. Het gaat mij er enkel om de leerprestaties van jongens te verbeteren. We hebben in Nederland een zeer sterk ontwikkeld gevoel voor gelijkheid, zeker op het gebied van geslacht. Als iemand wijst op de verschillen tussen de seksen, raakt dat kennelijk aan een gevoelig punt. Maar op het gebied van de ontwikkeling van de hersens zijn er op deze leeftijd nu eenmaal forse verschillen tussen jongens en meisjes. Dat is niet een christelijke mening, maar een wetenschappelijk feit.”

    • Bart Funnekotter