Ik heb een potje met vet. En een wespentaille

Aangezien het midden in de vakantie is, hier twee vakantievragen. „Wij hebben hier momenteel veel last van wespen”, schreef een lezer, „en daarom kwam deze vraag bij mij op: waarom en sinds wanneer gebruiken wij het woord wespentaille? Het is waar dat een wesp een insnoering heeft tussen kop en achterlijf, maar bijen, hommels en mieren hebben dat ook.”

Zoals bekend heeft de mens van nature geen wespentaille. De enige manier om een flinke insnoering van het middenlijf te bereiken is met behulp van een korset. Korsetten bestaan al zeker sinds de vijftiende eeuw, maar ze kwamen in de negentiende eeuw bij ons in de mode en uit die tijd dateert ook het woord wespentaille. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, geeft als vroegste bewijsplaats een citaat uit 1885, maar in feite is het woord ouder. We vinden het al in een brief die Johannes Kneppelhout in 1838 vanuit Parijs aan een vriend schreef: „Hoe gaat het met je reisgenoot? Laat hij, wat zijn insectenverzameling betreft, uitkijken voor de wespentailles van de dames van lichte zeden, het zijn vliesvleugeligen die voor weinigen onderdoen.”

Wel neemt het aantal vindplaatsen sinds 1880 toe – kennelijk werd het woord toen gangbaarder. Zo komen we het in 1881 tegen in een „beurtzang voor een heer en dame”, getiteld ‘Modetwist’. Daarin zingt de heer onder meer: „Zij rijgen en zij snoeren,/ Verrichten zware toeren,/ Nooit vinden zij haar taille smal genoeg;/ Begint het hard te waaien/ Dan ziet men alles zwaaien,/ Dra breekt haar wespentaille laat of vroeg.”

Overigens wordt wespentaille niet alleen gebruikt voor ‘zeer dunne, ingesnoerde taille’; de Grote Van Dale kent het ook in de betekenis ‘dunne verbinding tussen de motor en de achterbrug van een tractor’.

Waarom nou juist de wesp in deze beeldspraak terecht is gekomen, en niet de hommel, bij of mier, terwijl die tussen voor- en achterlijf ook zo’n insnoering hebben, is niet bekend. Opmerkelijk is dat de beeldspreek internationaal is: de Duitsers spreken van Wespentaille, de Fransen van taille de guêpe en taille en guêpe (guêpe betekent ‘wesp’) en de Engelsen van wasp-waist. Die internationale overeenkomst duidt op een Franse oorsprong; taille en guêpe dateert van 1783. In Frankrijk was de wespentaille eerder in de mode dan elders; dikke kans dat het woord met de mode mee liftte.

Overigens heeft de waardering van de vrouw met zandloperfiguur forse schommelingen gekend. Al in 1897 schreef een krant: „Ook wordt gezegd dat een lorgnet op een meisjesneus iederen man tegenstaat en dat eene wespentaille heel weinig aantrekkelijks heeft in het mannenoog.” Maar vervolgens kwam Dior in 1947 met de zogenoemde New Look: een ensemble met ronde schouders, wespentaille en wijde rok met petticoats.

Vraag twee: „Dit was toch wel de belabberdste Nederlandse zomer ooit. Om de moed er in de auto en op de camping een beetje in te houden, heb ik geregeld met de kinderen een klassieker gezongen, namelijk: ‘Ik heb een potje met vet’. Waar komt dit merkwaardige lied vandaan?”

Over de herkomst van dit liedje is weinig met zekerheid bekend. Mogelijk is het een oud marsliedje, gebruikt door soldaten – maar onduidelijk is hoe oud het is. Het potje zou in dat geval het vet hebben bevat dat soldaten gebruikten om het leer van onder andere schoenen en riem soepel te houden. Maar een (glazen) potje met vet en lont werd ook lang gebruikt als verlichting. En dan heb je ook nog het potje met braadvet of vet voor op brood. Kortom, aanvullingen welkom, want mij is niet precies bekend hoe het zit.

    • Ewoud Sanders