Heeft Nederland niet geleerd van Uruzgan?

Er zijn verklaringen voor de late komst van materieel in Kunduz, zoals stormen en een vlucht naar het verkeerde vliegveld. Een goede indruk maakt het allemaal niet.

Te weinig scherfvesten, munitie en bescherming tegen bermbommen én nauwelijks tolken. Het ontbrak de Nederlandse militairen in Kunduz lange tijd aan essentieel materieel en de ondersteuning die nodig zijn om aan hun trainingsmissie te beginnen.

Begin juli vertrokken enkele honderden militairen naar de noordelijke Afghaanse provincie. Daar zitten ze nu al bijna zes weken op het Duitse kamp waar ze te gast zijn te wachten, in de zinderende hitte en tijdens de islamitische vastenmaand ramadan. Ze houden zichzelf bezig door wapens in te schieten, te sporten en kennis te maken met hun Duitse en Amerikaanse bondgenoten, maar verder hebben ze vooral veel tijd voor zichzelf. Militaire vakbonden maken zich zorgen over de veiligheid, maar ook over het moreel.

Gisteren was er goed nieuws uit Kunduz: de eerste Nederlandse patrouille ging zelfstandig de stad in. „Het ontwikkelen van situational awareness, door in de stad te patrouilleren, is een randvoorwaarde om straks veilig en effectief met de agenten aan de slag te kunnen”, meldde het ministerie van Defensie op zijn website. Een opmerkelijke vaststelling als je bedenkt dat het kabinet in april de Kamer nog beloofde dat de missie al in juli op stoom zou zijn.

Vlak na het bericht van Defensie bracht de NOS gisteren e-mails van de militairen ter plekke naar buiten, die verklaren waarom de militairen nu nog niet effectief aan de slag kunnen. Militairen in Kunduz vertellen daarin gefrustreerd te zijn over „de logistieke puinhoop” die de missie is. Materieel is nog niet gearriveerd en slechts twee van de twintig benodigde tolken zouden aanwezig zijn. Spullen die vanuit Nederland en Uruzgan, waar de vorige Nederlandse missie plaatsvond, moeten komen, hebben flinke vertragingen opgelopen.

Dat komt onder andere door zandstormen en logistiek oponthoud waarvan alle westerse militairen in Afghanistan last hebben. Maar ook doordat materialen niet naar de dichtstbijzijnde vliegbasis in Mazar-i-Sharif zou zijn gebracht, maar naar het zuidelijke Kandahar.

Militaire vakbonden bevestigen het beeld dat de NOS schetst. „De ooggetuigenverslagen die wij krijgen liegen er niet om”, zegt Wim van den Burg, van de AFMP. Hij maakt zich zorgen over de veiligheid van de militairen, net als Jean Debie, van VBM/NOV. Debie: „De essentiële onderdelen moeten aanwezig zijn op het moment dat de mensen aanwezig zijn. Ik vind het alarmerend dat zij niet de spullen hebben om zichzelf te verdedigen als ze worden aangevallen. Daarnaast is het voor het moreel belangrijk dat ze invulling kunnen geven aan het werk daar.”

Volgens Van den Burg staan levens op het spel als de militairen niet volledig geëquipeerd zijn. „Onze mensen willen gewoon aan de slag, maar ik hoop niet dat ze onder druk nu toch aan de gang gaan en risico’s nemen. Als de militairen zichzelf niet kunnen beschermen, kan dat onnodig mensenlevens kosten.”

Wat het opzetten van de huidige missie extra lastig maakt is dat Nederland, meer dan in Uruzgan, afhankelijk is van de NAVO-partners voor transport, bescherming en ondersteuning. „Die stellen hun eigen prioriteiten”, zegt Jean Debie. Als de Duitsers en Amerikanen materieel nodig hebben om de stabiliteit van het gebied te garanderen, zal dat voorrang krijgen boven materieel dat nodig is om agenten op te leiden.

Volgens de vakbonden zijn de huidige problemen goed te vergelijken met de problemen aan het begin van de missie in Uruzgan vijf jaar geleden. „Daar was beloofd dat de missie in augustus 2006 full speed aan de gang zou zijn”, zegt Van den Burg. „Uiteindelijk duurde het tot februari 2007 voordat het zover was. Je zou verwachten dat er van die ervaring geleerd is. Op het moment dat de mensen hun werk daar niet kunnen uitvoeren, kunnen ze beter thuisblijven. Dat kost ook een stuk minder”, zegt Van den Burg.

Het ministerie van Defensie laat vandaag in een reactie weten dat de materieelproblemen de afgelopen weken zijn opgelost. Ook zou het aantal tolken voldoende zijn om de politietrainers buiten de poort te ondersteunen. Het ministerie zegt dat eerdere „logistieke uitdagingen” zijn opgelost en dat de missie op schema ligt.

Volgens een woordvoerder is het altijd de bedoeling geweest pas in augustus te beginnen met de patrouilles en zullen die nu snel frequenter worden. Eerder werd al duidelijk dat de opleidingen die de marechaussee aan politierekruten gaan geven op het Duitse kamp, pas begin volgend van start kunnen gaan.