Deze stad wil eigenlijk terug naar de wildernis

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Sydney

De grote, witte kaketoes met hun gele kuif, die krijsend door het dichtstbevolkte deel van de stad vliegen. De vliegende honden, die tijdens de schemering wegfladderen uit hun schuilplaatsen in de Botanische Tuin. De bosbranden die in hete zomers de buitenwijken teisteren. Dat is voor haar wat Sydney speciaal maakt, zegt schrijfster Delia Falconer.

„Het is waarschijnlijk een van de weinige steden in de wereld die nog zoveel overgebleven natuur hebben”, vervolgt de hoogzwangere schrijfster in een café, vlakbij haar huis in de oostelijke wijk Elizabeth Bay. „Voor mij is het grote plezier dat de stad nog niet is getemd. Vooral op een warme dag, wanneer je de planten ruikt, de dieren hoort. Het lijkt alsof de stad ons van zich af wil schudden en terug wil naar de wildernis.”

Het beste voorbeeld daarvan is de Tank Stream, zegt Falconer. Toen de stad aan het eind van de 18de eeuw werd gekoloniseerd, was dit een kreek die uitliep in de haven. De kolonisten probeerden het water in te dammen. Maar het lukte nooit om haar volledig te laten opdrogen; ondergronds stroomt het water nog steeds, dwars door het centrum. „Als het heeft geregend zorgt de Tank Stream nog steeds voor problemen. Veel kantoorgebouwen in de binnenstad hebben pompen tegen de wateroverlast die de kreek veroorzaakt.”

Falconer (44) voelde zich „enorm gelukkig” toen haar werd gevraagd om in een serie over Australische steden een boek te schrijven over Sydney, haar geboortestad. „Er is geen stad in Australië met zo’n prikkelende schoonheid. En toch, de stad heeft ook een donkere kant.” Het resultaat, dat vorig jaar uitkwam, werd door dagblad The Australian „briljant” genoemd. „Zij heeft de stad een unieke mythische dimensie gegeven”, aldus de recensent.

Het Sydney waar Falconer in 1966 werd geboren, leek in niets op de glamoureuze stad van nu. De stad met de iconische brug en operagebouw aan de haven, die zich kan meten met wereldsteden als Londen of New York. „Toen ik kind was stond de binnenstad op het punt haar wederopstanding te beleven, maar het was nog een tamelijke ruïne. Niemand wilde er wonen, niemand stelde het uitzicht op de haven op prijs.”

Het water van de haven was smerig, giftig zelfs. Het Opera House was nog in aanbouw. Ontwikkelaars konden niet wachten om de oude art-decogebouwen plat te gooien en er kantoortorens en parkeergarages voor in de plaats te zetten. Als Falconer op zaterdagmiddag naar de binnenstad ging, was er geen mens. Ze beschrijft hoe in de voorsteden een hang naar homogeniteit heerste: een klasgenootje werd gepest vanwege zijn Canadese accent. Achteraf ziet Falconer het als het einde van de periode waarin Sydney een respectabele, protestantse stad probeerde te zijn, naar Engels model.

In 1985 at Falconer haar eerste focaccia. De stad veranderde. Twee jaar eerder was de vaste wisselkoers van de Australische dollar losgelaten, Sydney nam de positie van Melbourne als financiële hoofdstad over. Australië had net de zeilrace America’s Cup gewonnen. Japanse toeristen begonnen de stad te bezoeken. „Het gevoel was dat Sydney internationaal opeens veel meer op de kaart stond.”

Van een naarbinnen gekeerde plaats, werd Sydney een wereldstad. „Plotseling was er die boom in de jaren tachtig. Sydney raakte gefascineerd door de ambitie om een plaats te worden voor glamour en jetset.” Zo schrijft ze over de medische ondernemer Geoffrey Edelsten Hij veroverde Sydney in die tijd met zijn klinieken vol kroonluchters en behandelsofa’s met nertsenbont. Voor Falconer is die „naïeve glamour” van de jaren tachtig de beste tijd die Sydney heeft meegemaakt. Daarna werd de binnenstad saaier, doordat ze voor nieuwe immigranten en arbeiders onbetaalbaar werd. Zij werden verdreven naar suburbia. „Je ziet het in veel steden. Op een gegeven moment is er die gevaarlijke verschuiving waarbij een levende stad verandert in vastgoed.”

Sydney werd steeds meer een soort Los Angeles, een stad waar iedereen in zijn eigen voorstad woont. De elite trok zich terug in het oosten en ten noorden van de haven, de minder fortuinlijken in de westelijke ‘burbs’. Daar strijken de talloze immigranten neer die Sydney jaarlijks opneemt. En steeds langer worden de autoritten om van de ene naar de andere kant te komen.

Gelukkig is er die ene plek in Sydney die alle voorstadbewoners bij elkaar brengt: de haven. Met inmiddels helderblauw water, de veerponten, de majestueuze brug en het fonkelende Opera House. „De haven heeft een enorme symbolische kracht voor Sydney, ook voor mensen die er niet in de buurt wonen.”

Dat is volgens Falconer een eigenschap die ‘Sydneysiders’ bindt: ze gedragen zich als toeristen in eigen stad. „Iemand beschreef de stad eens als een ongepland vakantieresort. En inderdaad komen Sydneysiders vroeg van hun werk om naar het strand te rijden en te surfen.” Falconer vertelt hoe ook activiteiten die typisch voor toeristen lijken, juist populair zijn bij bewoners. Zoals de beklimming van de boog van de brug in de haven. „Mensen geven elkaar een beklimming voor verjaardagen of jubileums, volgens mij is er een wachttijd van een half jaar. En het ultieme Sydney-moment is wat mij betreft het vuurwerk met Oud en Nieuw, wanneer iedereen aan de rand van het water zit om onze geweldige haven te bewonderen.”

De stedelingen houden ook van nieuwe dingen. Falconer woonde tien jaar in Melbourne, en daar lukte het niet om vrienden over te halen een nieuw café of restaurant uit te proberen. „In Sydney wordt er steeds weer een nieuwe wijk of restaurant hot verklaard, en dan zijn we daar allemaal. Het is bijna een verslaving.”

Maar dan die donkere kant, die Falconer ook in haar stadsgenoten ziet. In haar boek beschrijft ze hoe ze een opvallend briefje op een auto zag liggen. Een parkeerbon? „Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat iemand erop had geschreven in zwarte letters: ‘Ik ben net tegen je auto opgebotst en nu doe ik alsof ik een briefje schrijf. FUCK YOU!’”

Het is een agressie die voor een deel valt terug te voeren op de dagen van de eerste kolonisatie, zegt Falconer, in 1788. Toen arriveerden de eerste Britse criminelen en mariniers. Zij moesten een nederzetting stichten in een gebied dat werd bewoond door een groep Aboriginals, de Eora. „Er is een zeker ongeduld met de zwakken, met mensen die niet voor zichzelf op kunnen komen. Dat komt in Sydney naar boven, op niet zo’n plezierige manier. Maar ik begrijp die kant wel, ik zie dat het diepe wortels heeft. Ik zou zeggen: stap niet zomaar een zebrapad op met het idee dat mensen voor je gaan stoppen.”

Dat ongeduld stamt al uit de dagen van de kolonisatie, toen er bij het bouwen van de stad enorme schade aan de Eora-cultuur werd aangericht. „Een jaar na de kolonisatie was de helft van de Eora-bevolking gestorven aan pokken. En het interesseerde ons niet om iets van hun taal of cultuur te behouden.” Talloze rotstekeningen zijn verdwenen onder kantoren, wegen en winkelcentra. Slechts over een handvol Eora uit die tijd is iets bekend. „We leven in een stad waar vroeger een ander landschap was, waar andere verhalen over bestonden. Het is zo’n groot verlies.”

Niet voor niets hebben de artiesten van de stad een fascinatie voor vernietiging, zegt ze. Van de dichter Kenneth Slessor met zijn gedicht Five Bells, over een vriend die verdrinkt in de haven en wiens lichaam nooit wordt gevonden. Tot de tekenaars die hun geld verdienden met apocalyptische tekeningen van het Tuinpaleis, dat eind 19de eeuw in vlammen opging.

Toch is het ruwe Sydney ook haar stad, zegt de schrijfster. Het grootste gevaar voor het Sydney waar Falconer van houdt, is voorhaar de altijd terugkerende neiging van bestuurders om de stad te willen gladstrijken en opruimen. Alles moet kindvriendelijk, toeristvriendelijk. Daar moet Falconer niets van hebben, zelfs niet nu ze binnenkort zelf moeder wordt van een tweeling. Ze is juist gehecht aan de steile straten en de lukraak aangelegde wijken die het zo moeilijk maken voor openbaar vervoer en andere voorzieningen. En aan de lichte anarchie en de afkeer van autoriteit. „Men wil hier zo graag een homogene wereldstad van maken. Ik maak me zorgen dat we op het punt komen dat Sydney het woeste hart gaat verliezen dat het altijd heeft gehad.”

Morgen: Sydney wordt te vol

    • Elske Schouten