De appeltaart leek me geen lokkertje

Ik bezocht Ajax-Heerenveen. Het was de eerste keer dat ik Theo Janssen in een Ajax-shirt zag spelen: een vreemd gezicht voor iemand die uit Arnhem komt. Theo was iets dikker dan de rest en bewoog wat log tussen die springerige Ajax-spelertjes.

Op de perstribune zat ik naast een neger met een modern kapsel: van opzij geschoren, bovenop iets langer. Hij speelde de hele tijd met zijn mobiele telefoon, soms nam hij een foto van zichzelf.

Achter me zat Ton Ojers, trainer en voetbalanalist bij TV Noord Holland. Ton was een man van in de vijftig met een kapsel uit de jaren tachtig: een geblondeerd permanentje, kort van voren, lang in de nek.

Ton schold de hele wedstrijd op Theo. „Hij loopt voor geen meeee-ter. Hij is te zwaar, te log, te traag… Negentig kilo. Ne-gen-tig ki-lo! Misschien wel honderd!!” Hij vond medestanders op de perstribune, mensen die Ajax al een paar honderd jaar volgden.

Na afloop volgden we Ajax-perschef Miel Brinkhuis naar de ‘mixed-zone’ in de gracht rondom het veld. Er hingen touwen, daar moest je achter blijven staan als je met spelers wilde spreken. Cristian Eriksen sprak tegen twee cameraploegen over de tactiek, ook voor de Belg Toby Alderweireld was veel belangstelling.

Theo Janssen droeg alle onderdelen van het trendy clubkostuum over elkaar: een blouse, een vest en een colbertje. Volgens Ton Ojers was het geen gezicht. „Veel te zwaar… De broek half afgezakt, geen beste beurt, vriend.”

De neger met het hippe kapsel had een kartonnen doos in zijn ene en een microfoon in zijn andere hand, hij noemde zichzelf Humphrey Hanenkam of zoiets en ging Theo Janssen interviewen. Het werd een bizar gesprek, Theo onderging het lijdzaam.
„Theo, Theee-ooo, wat heb ik in mijn hand?”

„Een doos.”

„En wat zit er in die doos? Een taart, Theo! En die krijg jij omdat jij mijn favoriete Ajax-speler van de week bent. Ik vind jou de allerbeste!”

„Nou, bedankt.”

Theo kreeg de doos en moest daarna vijftien keer uitleggen waarom hij in Arnhem en niet in Amsterdam woonde. En nog was het niet goed, want volgens Humphrey was Amsterdam de leukste, hipste stad van de wereld, echt een plaats voor Theo. Als Theo ging verhuizen kwam hij langs met nog een taart; het leek me geen lokkertje.

Theo gaf me een hand, hij informeerde naar Vitesse. Ze hadden de avond ervoor met 4-0 gewonnen van VVV Venlo, hij had voor de zekerheid zijn seizoenskaart ‘geactiveerd’. Hij deed de doos open en liet me de taart zien.

Het was appeltaart van de Hema.

„Ga je die opeten?”, vroeg ik.

„Nee, vieze troep”, zei Theo. „Ik neem ’m mee naar de kleedkamer en als niemand ’m wil hebben, gaat-ie de plee in.”

Over Theo Janssen hoeven we ons geen zorgen te maken.

    • Marcel van Roosmalen