De lege stoel van Isabelle

Het is niet mijn feest, zegt Jean twijfelend, maar dat van Isabelle. Hij kijkt naar zijn hond, alsof die nu gaat zeggen of ik wel of niet welkom ben. Dan opent hij het hek van de tuin. Ok. We hebben alleen niet zoveel eten meer. Geeft niet, zeg ik. Verdwaald na anderhalf uur heuvels beklimmen

Het is niet mijn feest, zegt Jean twijfelend, maar dat van Isabelle. Hij kijkt naar zijn hond, alsof die nu gaat zeggen of ik wel of niet welkom ben. Dan opent hij het hek van de tuin. Ok. We hebben alleen niet zoveel eten meer. Geeft niet, zeg ik.
Verdwaald na anderhalf uur heuvels beklimmen onder de brandende Franse zon ben ik al blij met een glas water. Aan de lange tafel onder een afdak zitten achttien mannen en vrouwen van rond de vijftig luid met elkaar te praten.
Bonjour. Ik zeg het zo Frans mogelijk, maar ze horen natuurlijk meteen dat ik een Nederlander ben. Een van die tienduizenden Nederlanders in deze streek die niet alleen hun huizen maar nu ook hun feestjes komen innemen. Een oudere man kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar Jean. Die haalt verontschuldigend zijn schouders op. Ze vroeg het heel aardig.

Er wordt geknikt en instemmend gemompeld. Ik ben door de ballotage. Een gast voor Isabelle! roept een kleine vrouw en steekt haar wijnglas hoog in de lucht. Ze krijgt onmiddellijk bijval van de hele tafel. Ik speur de groep af op zoek naar Isabelle, maar zie niemand glimlachend de toast in ontvangst nemen. Ik schuif een stoel naar achteren.
Niet hier! roept Jean geschrokken. Dit is de stoel van Isabelle!
Daar. Hij wijst een lege stoel aan de overkant van de tafel aan.
Ik kijk de tafel rond. Word ik voor de gek gehouden? Niemand lacht.
Maar waar is Isabelle dan?
Die is dood, zegt Jean.
Dood? Jean knikt. Dood.
Kanker, zegt de blonde vrouw naast hem. Ze stierf vorige maand, vandaag zou ze vijftig worden.
Ik graaf in mijn brein naar de juiste Franse woorden voor een pijnlijk moment.
Je suis désolée.
Geeft niet, zegt de vrouw, kan jij ook niks aan doen.
Ik laat me voorzichtig op de andere stoel zakken.
Het is even stil aan tafel. Ik moet iets zeggen.
Je m’apelle Marjolijn. Ik klink als een stuntelende brugklasser.
De man links van mij grinnikt en schenkt me een witte wijn in. Santé!
Isabelle was een bijzondere vriendin, zegt hij. De vrouw rechts van mij haakt in: ze was heel goed met dieren. Paarden, kippen, honden. En met mensen ook.
Zij zou je niet laten staan bij dat hek, zegt de blonde vrouw. Jean snauwt iets naar haar wat ik niet versta. Maar de vrouw is met haar aandacht bij mij. Jij lijkt op haar, roept ze. Het gezelschap valt stil en kijkt mijn kant op. Er wordt geknikt. Zelfde wangen, zegt de man links. Ik lijk nu dus op een vijftigjarige Française die aan kanker overleed. De man van de wangen kijkt me doordringend aan. Even ben ik bang dat het gezelschap mij voor een incarnatie van hun vriendin houdt. Hou op met die onzin, zegt Jean die waarschijnlijk ziet hoe totaal ongemakkelijk ik erbij zit. Isabelle was Isabelle en dit is Marjolaine.
Weer gemompel en geknik. Ik haal opgelucht adem.

Het is jammer, zegt Jean, dat je haar nooit ontmoet hebt, dat je hier pas vandaag langsloopt. Het klinkt als een beschuldiging.
Ik kijk naar de lege stoel.
Je suis désolée, herhaal ik mezelf.
Ik ben ook echt désolée, tegenover Isabelle bij wie ik als een spuit elf pas op haar verjaardagsfeest kom als ze dood is.
De blonde vrouw schudt haar hoofd.
Niet nodig, zegt ze vriendelijk. Je bent in ieder geval op tijd om te weten dat ze heeft bestaan. Ik vind dat treurig, maar ook mooi gezegd. We proosten. Op Isabelle, die ik nu pas leer kennen. Als lege stoel.
En dan zingen we. Joyeux anniversaire, chère Isabelle.

    • Marjolijn van Heemstra