'Vrouwen misbruiken abortus'

Demografie In Azië zijn de afgelopen decennia ruim 160 miljoen meisjes niet geboren. Journalist Mara Hvistendahl schreef een boek over selectieve abortus, tradities en westerse bevolkingspolitiek.

Maartje Somers

Het begon ermee dat ze op Chinese scholen en crèches kwam en de kinderen zag. Op ieder ‘klein glimlachje’ van een meisje twee glimlachende jongetjes. Zo werd het Aziatische vrouwentekort zichtbaar voor Science-journaliste Mara Hvistendahl. ‘Mao zei eens dat vrouwen de helft van de hemel overeind hielden, en totdat ik naar China verhuisde, geloofde ik hem’, schrijft ze in haar boek Unnatural Selection: Choosing Boys over Girls and the consequences of a World full of Men. ‘Nu zakt de hemel scheef.’

Ze doelt op het fenomeen van de ‘ontbrekende meisjes’. Een sekseratio van 1,05 bij de geboorte, 105 jongetjes op 100 meisjes, is normaal – jongetjes hebben meer kans vroegtijdig te sterven. Maar in India worden er 112 jongens geboren op de 100 meisjes, in China 121, in het snel industrialiserende zuidoost China soms zelfs 150 of 170. De bevolkingen van India en China leggen samen zoveel gewicht in de schaal dat de sekseratio in de wereld is verschoven van 105 naar 107 jongens per 100 geboren meisjes. Ook in Azerbajdzjan, Georgië en Armenië worden meisjes te vaak niet geboren.

“Ik snapte het niet”, zegt Mara Hvistendahl (31) in een Rotterdams café. “In China zijn vrouwen niet heel erg ongelijk aan mannen, de medische zorg voor moeders is er de laatste decennia enorm verbeterd. En dan toch die traditionele voorkeur voor jongens. Hoe zit dat?”

Ze verdiepte zich grondig in de oorzaken en de gevolgen. De gevolgen laten zich raden en tekenen zich in Azië ook af: meer vrouwenhandel, meer kindhuwelijken, meer geweld in regio’s waar vrijgezelle mannen niets te verliezen hebben. In China kopen rijke families kleine meisjes voor hun zonen, anderen zoeken een vrouw in de arme delen van Vietnam. Tegen 2020 zal eenvijfde van de Indiase mannen single zijn en blijven.

Overheden stellen zich teweer door selectieve abortus te verbieden, en campagnes te lanceren over de waarde van dochters. Een Indiase deelstaat betaalt ouders zelfs voor de geboorte van een meisje. Maar de trend zet door. Echo’s kunnen ook gemaakt worden op de achterbank van een auto, een dokter die wil aborteren vind je altijd. Medisch tijdschrift The Lancet constateerde dit voorjaar op basis van de Indiase volkstelling van 2011 dat het aborteren van meisjes toeneemt. ‘In de meeste staten van India is selectieve abortus gewoon geworden’, schreef het blad. Mara Hvistendahl raamt het aantal selectieve abortussen van meisjes in de afgelopen dertig jaar op 163 miljoen, ‘meer dan de gehele vrouwelijke bevolking van de Verenigde Staten’, schrijft ze.

Het grootste en interessantste gedeelte van Hvistendahls boek gaat over de oorzaken. Het laat zien hoe onvoorspelbaar de fundamentele krachten traditie, technologie en politiek op elkaar in kunnen werken.

Dát er minder meisjes geboren worden, blijkt een direct gevolg van de opkomst van echo’s en abortus in landen met een traditionele voorkeur voor jongens. “Op veel plekken in de wereld waardeert een vrouw een zoon nog steeds meer dan een dochter – omdat haar omgeving dat doet, of omdat ze zelf ervaren heeft wat het betekent om een vrouw te zijn. Ze heeft nu minder kans een dochter te krijgen. Dat is omdat ze in een opkomende economie minder kinderen krijgt én omdat ze er veel sneller achter kan komen of ze een meisje of een jongen draagt.” De sekseratio voor tweede, derde en vierde kinderen is in Azië nog verder uit balans. Wie voor de tweede of derde keer een meisje krijgt, zal veel vaker tot abortus overgaan. Na een jongetje komen er vaak geen kinderen meer.

Vrouwen beslissen

Hvistendahl werkte vijf jaar in China als correspondent. Voor haar boek reisde ze naar onder meer India, de VS en Vietnam, en sprak met demografen, ouders en artsen. “De opkomst van selectieve abortus speelt vooral in landen met een snel dalend geboortecijfer, een alomtegenwoordigheid van prenatale screening, en een achteloze houding jegens abortus”, zegt ze. “China, Vietnam en Zuid-Korea hebben allemaal een hoog abortuscijfer, net als landen in de Kaukasus.”

Traditie speelt een andere rol dan gedacht. Hvistendahl ontdekte dat het aborteren van meisjes allerminst een tot uitsterven gedoemde plattelandsgewoonte is, waar een zoon gold als erfgenaam en oudedagsvoorziening en een meisje als kostenpost (wegens de bruidsschat). Integendeel, de voorkeur voor jongens krijgt juist een impuls in opkomende, snel moderniserende economieën. Het is de stedelijke elite die het eerst toegang krijgt tot nieuwe technologieën en het eerst overgaat tot het aborteren van meisjes. Het zijn niet de mannen, maar de vrouwen die beslissen, en dan vooral de vrouwen met een opleiding. Ook The Lancet constateerde dit voorjaar dat Indiase vrouwen met meer dan tien jaar opleiding en rijke vrouwen vaker meisjes aborteren dan arme en niet opgeleide vrouwen. “Het lijkt alsof de sociale controle uit het dorp wordt ingeruild voor een nieuwe statusgevoeligheid in de stad. Er is een flinke drang om te doen zoals de buren het doen, te hebben wat de buren hebben.”

Hvistendahl is een schuchtere vrouw, soms nauwelijks verstaanbaar in het rumoerige café waar ik haar ontmoet. Unnatural Selection schreef ze deels in Rotterdam. Ze heeft een Turks-Nederlandse vriend, met wie ze binnenkort weer voor vijf jaar naar China vertrekt.

Ze maakt zich ernstig zorgen over nieuwe medische technologieën, net als vruchtwaterpunctie en echo ontwikkeld voor medische doeleinden, maar ook inzetbaar voor het vroegtijdig bepalen van het geslacht van het kind. “Vroeger moest je een pasgeboren meisje doden. In de jaren zeventig kwam de vruchtwaterpunctie ter beschikking, maar die kon een miskraam tot gevolg hebben. Toen kwam de echo. Nu kun je een ongeboren meisje zonder risico aborteren. In opkomst is ivf na embryoselectie: alleen de mannelijke embryo’s worden dan teruggeplaatst.

“Tegen geen van deze technieken heb ik op zich bezwaar”, zegt ze. “Alle betekenen medische vooruitgang en ze kunnen grote medische problemen helpen voorkomen. Maar ze roepen ook dringende ethische vragen op. De morele beslissing een meisje niet geboren te laten worden, wordt steeds lichter.”

In Unnatural Selection laat Hvistendahl overtuigend zien dat er naast traditie en technologie nog een derde kracht aan het werk was die de scheve sekseratio’s in de hand werkte: bevolkingspolitiek. Volgens Hvistendahl hebben westerse bevolkingsorganisaties er niet weinig aan bijgedragen dat abortus in Azië in een paar decennia tijd van een uiterste toevlucht veranderde in zoiets als het laten trekken van een verstandskies.

Hvistendahl: “In westerse landen dáált het abortuscijfer als abortus is gelegaliseerd, vaak door toedoen van vrouwenorganisaties. Abortus is de laatste toevlucht, als anticonceptie gefaald heeft. In Aziatische landen stéég het abortuscijfer juist steeds na legalisering. Daar is abortus van buitenaf ingevoerd en opgelegd. Abortus ís er anticonceptie, zoiets als de pil.”

Het boek schetst het belang dat in kringen van NGO’s, VN-organisaties en conservatieve politici tussen de jaren 50 en de jaren 70 werd gehecht aan het afremmen van bevolkingsgroei. Ten tijde van de dekolonisatie en de Koude Oorlog betekenden meer mensen meer armoede – een gevaarlijke voedingsbodem voor communisme. Het boek The Population Bomb uit 1968 van Paul Ehrlich, over de malthusiaanse ramp die de wereld wachtte als de bewoners van ontwikkelingslanden zich maar zouden blijven vermenigvuldigen, was een bestseller. Wilde ideeën, zoals het toevoegen van steriliserende middelen aan voedselketens, of India napalmgewijs met vliegtuigjes besproeien met een contraceptive aerial mist (anticonceptie-spray) haalden het niet, maar de VS financierden, al dan niet via de VN, allerlei voorlichtings- en sterilisatieprogramma’s in Aziatische landen en lobbyden voor ruime abortuswetgevingen. Hvistendahl: “Er werd in blauwdrukken gedacht. De menselijke maat telde niet. Niet bij de Chinezen, niet bij westerse bevolkingsactivisten.”

Het meest extreem was de westerse invloed in Zuid-Korea, waar in de jaren vijftig het einde van de oorlog ruimte schiep voor zowel een babyboom als voor Amerikaanse politieke armslag. Geoormerkte dollars stroomden het land in, net als witgeverfde oorlogsjeeps die een tweede leven begonnen als mobiele sterilisatie- en soms abortuskliniek. Het Koreaanse geboortecijfer zakte van 74 per 1.000 mensen in 1960 tot 24 per 1.000 in 1975. Tegen 1977 voerden doktoren in Seoul 2,75 abortussen uit voor elke geboorte, volgens Hvistendahl het hoogste aantal ooit in de geschiedenis.

Tovenaarsleerling

Taiwan en India maakten een vergelijkbare ontwikkeling door. Maar de tovenaarsleerling bleek China. In 1979, een jaar voor de implementatie van de één-kindpolitiek, leende het VN-bevolkingsfonds UNFPA (United Nations Population Fund) het land nog 50 miljoen dollar voor voorlichtingscampagnes over kleine families. De organisatie trok zich niet terug, ook niet toen gruwelverhalen over gedwongen abortussen westerse kranten bereikten, en op Chinese muren stond te lezen: ‘Je kunt het eruit slaan! Je kunt zorgen dat het eruit valt! Je kunt het aborteren! Maar je kunt het niet baren!’

Selectieve abortus werd door westerse bevolkingsactivisten genegeerd, als bijkomend voordeel ervaren, en soms zelfs actief gepropageerd. Als vrouwen immers meteen een jongen zouden krijgen, zouden ze eerder besluiten het bij één kind te laten. Sekseselectie reduceerde bovendien het aantal potentiële moeders – twee vliegen in één klap.

Het gevolg laat zich raden, schrijft Hvistendahl. ‘Als er druk op vrouwen wordt uitgeoefend zich niet of nauwelijks voort te planten, maar ze tegelijkertijd geacht worden een zoon voort te brengen, is selectieve abortus de uitkomst.’

Het is voor hedendaagse lezers verbijsterend om te lezen hoezeer conservatieve Amerikanen nog maar enige decennia geleden abortus propageerden – zolang die maar in het buitenland plaats vond. “Het verbijsterde mij ook”, zegt Hvistendahl. “George Bush senior schreef een voorwoord bij The Population Bomb, Henry Kissinger was vóór. Dwang werd niet direct als een probleem gezien, het hogere doel woog zwaarder.” Moeilijk voorstelbaar, gezien de rabiate anti-abortusstandpunten van Republikeinen nu. Hoe verklaart Hvistendahl die omslag?

“Het omslagpunt was min of meer de eerste United Nations Population Award, een prijs voor bevolkingscontrole. Die werd in 1970 uitgereikt aan de man die in China belast was met het uitvoeren van de één-kindpolitiek, en aan Indira Ghandi, die massasterilisaties in India had geïnitieerd. Ondertussen kwamen er verschrikkelijke verhalen naar buiten over gedwongen abortussen in China. Er kwamen protesten. Conservatieve christenen haakten daarop in. Het anti-abortusstandpunt werd een manier om de Republikeinse partij te verenigen, zoals homorechten.”

Inmiddels is het besef dat meer kansen en opleiding voor vrouwen zónder dwang tot minder kinderen leidt, gemeengoed geworden. Bevolkingscontrole heeft dus plaatsgemaakt voor beleid rond zogeheten ‘reproductieve gezondheid’ (alles wat te maken heeft met anticonceptie, zwangerschap en geboorte). Het accent ligt daarbij nadrukkelijk op de keuzevrijheid, rechtspositie en kansen van vrouwen. Een vrije, goed opgeleide vrouw, zo is de gedachte, zal eerder voor voorbehoedsmiddelen en een klein gezin kiezen dan een machteloze vrouw die door haar man om het jaar zwanger wordt gemaakt.

Lastig parket

Maar ook deze benadering raakt nu achterhaald, vindt Mara Hvistendahl. “Het lijkt gunstig om alle rechten bij de vrouw te leggen. Maar niet als vrouwen dat recht vervolgens misbruiken om meisjes te aborteren. Het is grotendeels onwaar om in rapporten te stellen, zoals de UNFPA heeft gedaan, dat vrouwen geen toegang hebben tot abortus en dat vrouwen volledig afhankelijk zijn van hun mannen. Vrouwen in de nieuwe middenklasse beslissen zelf. Abortus is in Azië geen te bevechten vrijheid, maar een consumentenkeuze.”

Dit type betoog brengt haar in een lastig parket, geeft ze toe. Want in Amerika bestaan nu geen nuances meer als het om abortus gaat. Amerikaans rechts onthaalt Hvistendahls boek dan ook als een prima anti-abortusboek. En als iemand die voor het recht op abortus is, heeft ze zichzelf ook danig achter de oren moeten krabben – net als feministes en abortusactivisten zullen moeten doen.

“Ik vind abortus een veel complexere kwestie dan eerst. Abortus is altijd voorgesteld als een volstrekt individuele keuze en een absoluut recht van de vrouw. Dat laat de gevolgen voor de gemeenschap als geheel, en voor toekomstige generaties buiten beschouwing. Nog steeds vechten instellingen als het UNFPA voor het recht op abortus. Ze houden de discussie erover tegen, uit angst dat gevecht te verliezen. En natuurlijk probeert rechts van dit dilemma gebruik te maken, maar dat maakt een debat over selectieve abortus niet minder noodzakelijk.”

De laatste maanden lijkt Hvistendahl op haar wenken bediend te worden. Het door haar zo gewraakte UNFPA publiceerde een rapport vol aanbevelingen voor beleid tegen selectieve abortus – van het anders regelen van het erfrecht tot voorlichtingscampagnes. Hvistendahl: “Ik hoop op een meer voortvarende aanpak. Met de campagnes tegen de genitale mutilatie van vrouwen zijn goede resultaten geboekt door het uit de ideologische hoek te halen en het voor te stellen als een gezondheidskwestie. Misschien dat in campagnes tegen selectieve abortus meer nadruk gelegd kan worden op het feit dat veel late abortussen niet goed zijn voor de gezondheid van vrouwen. Ook strenge wetgeving is nodig. Want dat selectieve abortus moeilijk te controleren is, betekent niet dat je het niet moet reguleren.”

    • Maartje Somers