Vrij water

In een serie over de stad en het water dobbert Joost van der Vaart over de Spree in Berlijn. De stad ontdekt haar oevers, stelt hij vast. ‘Achter elke bocht is een avontuur.’

Kapitein Michael Kutzker stuurt met vaardige hand zijn ruim tachtigjarige passagiersmotorschip ‘Rhein’ de Müggelspree op, richting Baumgarteninsel bij Köpenick, een voorstadje van Berlijn.

We varen langs watersportverenigingen, volkstuinen en leegstaande bedrijfspanden. „Rechts kunt u zien hoe de stad verandert. Hier wordt een oude kabelfabriek verbouwd tot appartementen. Vanaf je balkon kun je hier nog net de grote Müggelsee zien”, zegt Kutzker tegen zijn varensgasten.

Berlijn is gezegend met twee rivieren: de Havel en de Spree. De Havel loopt langs de stad, de Spree stroomt erdoor. Beide rivieren zijn bezongen door tal van Duitse schrijvers en dichters; het vaakst en uitvoerigst door Theodor Fontane, de negentiende-eeuwse romancier en Berlijnse chroniqueur bij uitstek.

Een deel van de reis die we met de ‘Rhein’ van kapitein Kutzker maken, heeft Fontane beschreven in zijn prachtige Berlijnse verhalen ‘An Bord der ‘Sphinx’’ en ‘An der Spree’ (uit: Wanderungen durch die Mark Brandenburg, vierde band).

„Wo liegt Schloss Köpenick?”/ An der Spree;/ Wasser und Wald in Fern und Näh’,/ Die Müggelberge, der Müggelsee.” Zo lyrisch was Fontane toen hij aan boord van het zeilschip ‘Sphinx’ langzaam de Müggelspree afzakte richting Müggelsee. Dit grootste meer van de stad wordt door Oost-Berlijners liefkozend „onze binnenzee” genoemd.

Fontane ten spijt: het Berlijnse deel van de Spree is lange tijd een gekwelde rivier geweest. Aan zijn oevers verrezen al in de tweede helft van de negentiende eeuw roet brakende fabrieken. In de twintigste eeuw was aan het stedelijke gedeelte van deze vierhonderd kilometer lange rivier een kolossaal industriepark gebouwd , dat zijn afval ongezuiverd in de Spree loosde. Na de Tweede Wereldoorlog werd de vervuiling nog een paar decennia voortgezet door achteloosheid van het dictatoriale Oost-Duitse regime.

De Spree was in de naoorlogse jaren gedeeltelijk een grensrivier. De Berlijnse Muur en het water erachter vormden een barrière des doods. Wie hier van oost naar west probeerde te vluchten, moest een drie meter hoge muur trotseren, een mijnenveld en tot slot de Spree, bevaren door patrouilleboten met zwaarbewapende Oost-Duitse grenssoldaten.

De Spree sluimerde getourmenteerd. Vandaag precies vijftig jaar geleden werd een begin gemaakt met de bouw van de Berlijnse Muur. Van 13 augustus 1961 tot 9 november 1989, toen de Muur viel, was de Spree tussen de wijken Kreuzberg (West- Berlijn) en Friedrichshain (Oost-Berlijn) onderdeel van de zogeheten Todesstreifen, de levensgevaarlijke strook langs het IJzeren Gordijn.

Hoe anders ligt de Spree er nu bij. Als ergens Berlijn veranderd is – vriendelijker, schoner, leefbaarder en hipper is geworden – is het wel aan de oevers van de Spree. De rivier en zijn directe omgeving hebben een regelrechte wedergeboorte ondergaan.

Aan de Müggelspree en de Müggelsee bij Köpenick zijn welgestelde senioren neergestreken. Op voormalige industrieterreinen tussen de Rummelsburger Bucht en de Oberbaumbrücke – beide in het oostelijke stadscentrum – zijn kantoren en appartementen gebouwd, waar inmiddels meer dan vierduizend mensen wonen; de meesten jonger dan veertig jaar.

Leven en laten leven

Het Spreewater is veel schoner geworden. En de grimmigheid van de grens heeft plaatsgemaakt voor een ontspannen, typisch Berlijnse stijl van leven en laten leven. „Ik voel me hier helemaal thuis. We hebben een prachtig uitzicht op de rivier. Voor de kinderen is er ruimte om te spelen en m’n werk is een half uurtje fietsen hiervandaan”, zegt de 34-jarige Ilse Mayer, die een Spreewoning aan de Rummelsburger Bucht heeft en voor wie het leven aan de rivier „een sensatie” is.

Met dit alles is Berlijn nog lang geen stad aan het water, zoals Keulen (Rijn) en Hamburg en Dresden (beide Elbe) dat wel zijn. De toegang tot de oevers van de Spree is met name in het gebied rondom Kreuzberg/Friedrichshain slechts beperkt mogelijk, door een front van woningen en bedrijfsterreinen. Het stadsbestuur liet laatst weten dat Berlijn ernaar streeft de burger overal vrije toegang tot de Spree-oevers te verschaffen. Maar dat is voorlopig een vrome wens.

In Köpenick is door privébebouwing van de oevers van Müggelspree en Müggelsee juist een tegenovergestelde ontwikkeling aan de gang. Daar was het water in de DDR-tijd voor iedereen toegankelijk. Nu is dat op steeds minder plaatsen het geval. De privatisering van voorheen openbare ruimte heeft tot boze reacties van de bevolking geleid.

Meer richting stadscentrum komt de verandering van het Spreelandschap het best tot uiting in het grote en omstreden investeringsproject Media-Spree, een bebouwing van de oevers met kantoren en hotels. Media-Spree wordt niet door iedereen gewaardeerd. Jongeren uit Kreuzberg en Friedrichshain en linkse actievoerders protesteren nog bijna wekelijks tegen de vercommercialisering van de Spree-oevers. In gerenoveerde bedrijfspanden vestigen zich mediafirma’s. Verderop zijn hotels neergezet, zoals het trendy Nhow Berlin.

Het Berlijnse uitgaansblad Zitty schreef laatst trots dat de Spree weer helemaal terug is, „en met de Spree omringende wateren als het Landwehrkanal, de Dahme en de Lange See”. In haar aan de Spree gewijde boek Berlin Wasserwelten (Grebennikov Verlag 2011) meldt de journaliste en historica Corinna Weidner dat de Berlijners de kwaliteit van leven aan het water hebben herontdekt. „Aan de Spree valt van alles te beleven.” Weidner weet waarover ze schrijft: ze is regelmatig op de rivier te vinden met een prachtig gerestaureerde klassieke motorboot uit de jaren twintig.

De negentiende-eeuwse chroniqueur Theodor Fontane zou goedkeurend hebben geknikt als hij de Spree anno 2011 kon zien. Hij had een conservatieve aard, maar was avontuurlijk ingesteld. De Spree is weer wat hij in de tijd van Fontane was: een rivier met achter elke bocht een avontuur.

    • Joost van der Vaart