Verbleekt idealisme op een Israëlische heuveltop

Het Israëlische dorp Neve Shalom/Wahat al-Salam is een ongekend vredig oord in een door haat geteisterde regio. Joden en Palestijnen wonen er al jaren samen, maar navolging vindt het experiment niet: „Het idee van het dorp is wat belegen.”

2006, Neve Shalom, Israel: Neve Shalom is a cooperative village jointly founded by Israeli Arabs and Jews in an attempt to show that the two peoples can live side by side peacefully, as well as to conduct educational work for peace, equality and understanding. The village is located on one of the two Latrun hilltops, midway between Tel Aviv and Jerusalem. The village also has a small guest house, offering programs aimed at acquainting local or foreign groups with the village and its cultural context. ///The small post office at the entrance to Neve Shalom. Credit: Ziv Koren / Polaris Ziv Koren/Hollandse Hoogte

Vanaf een heuveltop kijkt het dorp uit op de kustvlakte van Israël. In de verte schittert de Middellandse Zee. Op een heldere dag zie je zelfs de Gazastrook liggen. De huizen, een stuk of zeventig, liggen verscholen tussen palmbomen en cypressen. In het midden van het dorp staat een school, de School van Vrede, waar de kinderen spelen rondom een monument in regenboogkleuren.

Een jaar geleden ging ik wonen in Neve Shalom/Wahat al-Salam, een gemengd Joods-Palestijns dorp in Israël, langs de snelweg tussen Tel Aviv en Jeruzalem. Neve Shalom/Wahat al-Salam is een merkwaardige vrijplaats van tolerantie en coëxistentie in een totaal gesegregeerde maatschappij. De Hebreeuwse en de Arabische naam onderstrepen de dubbele identiteit van het dorp. De inwoners zijn voor de helft Joodse Israëliërs, de andere helft bestaat uit Palestijnen met een Israëlisch paspoort. Een dorpsraad ziet streng toe op de toelating van nieuwe bewoners en de precieze demografische verdeling.

Het dorp, in 1970 gesticht door de dominicaanse monnik Bruno Hassar, is de enige plek in Israël opgericht na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 waar Joden en Palestijnen samenleven. Wie een huis wil kopen in Neve Shalom moet via een psychologische test bewijzen over een vredelievend karakter te beschikken.

De inwoners van het dorp respecteren elkaars feest- en gedenkdagen. Aan het einde van het jaar vieren ze in de dorpstent het Feest der Feesten: het islamitische offerfeest, het joodse hanukkah en het christelijke kerstfeest. Ook de Israëlische Onafhankelijkheidsdag, pijnlijk voor Palestijnen, en de Palestijnse Nakba (‘catastrofe’, de vlucht en verdrijving van 700.000 Palestijnen rond 1948), een moeilijk punt voor Joden, worden herdacht.

Elke dag komen er bussen met bezoekers naar het dorp. Mensen stappen uit, lopen wat rond en gluren in de tuinen – alsof coëxistentie zich laat afleiden uit de manier waarop mensen hun was ophangen. Mijn Joodse buurmeisje van achttien heeft eens Hillary Clinton op bezoek gehad.

Ik had vorig jaar drie jaar als correspondent in Israël en de Palestijnse gebieden gewerkt, en was nieuwsgierig naar het experiment op deze heuvel. Die jaren was de schizofrenie die hoort bij het werken in dit gebied me het meest opgevallen. Joodse Israëliërs, ook mijn beste vrienden in Tel Aviv, hebben geen idee hoe de bezette Westelijke Jordaanoever of de Gazastrook eruit zien. Palestijnen, ook de hoogopgeleide, kritische Palestijnen in de steden, weten vrijwel niets van Israël.

Als journalist pendelde ik de afgelopen jaren tussen deze twee werelden en verbaasde ik me steeds weer over de verstarde vijandbeelden, de domme misverstanden en af en toe de blinde haat onder Israëliërs en Palestijnen. Terwijl deze bevolkingsgroepen hard uit elkaar aan het groeien zijn, kiezen ongeveer tweehonderd mensen ervoor juist samen te leven. Zijn het pioniers? Visionairs? Wereldvreemde hippies?

Mijn buurman Bob Mark (54) is een wat stille, ironisch lachende onderwijzer. Hij emigreerde in de jaren zeventig vanuit de VS naar Israël en ging werken op een kibboets. „Op de kibboets waar ik woonde, leken de bewoners uit de Arabische dorpen niet te bestaan. Die zijn weg, werd gezegd, die willen niets met ons te maken hebben. Wat me bij een bezoek aan dit dorp trof, was het feit dat Joden en Palestijnen op één plek leefden.”

Bob, een gesjeesde student, kwam naar Israël als zionist, overtuigd van het recht van het Joodse volk om terug te keren naar het land van de voorouders. „Het loste een probleem op, namelijk de vervolging van Joden in Europa, maar creëerde een nieuw probleem: de onderdrukking van de Palestijnen.” Dat zit hem dwars. „Ik zag steeds duidelijker hoe Israël het verhaal van de zionistische ideologie dominant maakte aan de geschiedenis: de verdrijving van honderdduizenden Arabieren uit het huidige Israël. De bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook werd vergoelijkt, ook onder mijn vrienden. Ik was medeplichtig geworden, ik was Israëliër, zat in het leger. Dat knaagde.”

Voordat ik in Neve Shalom ging wonen, kende ik maar één plek waar Joodse Israëliërs en Palestijnen elkaar elke dag ontmoeten: de militaire controlepost Qalandia, tussen Jeruzalem en Ramallah, op de bezette Westelijke Jordaanoever. Qalandia is de plek waar ik altijd tot de sombere conclusie kom: het komt hier nooit meer goed. Op goede dagen is de plek alleen een onplezierig oponthoud. Tientallen, soms honderden auto’s proberen zich door een smalle strook te persen. Als je de autoruit open laat staan, gooien kinderen van het nabijgelegen vluchtelingenkamp hun zeepjes, snoep of zakdoeken naar binnen. Er wordt geduwd en geschreeuwd. Na een uur, soms langer, mag je doorrijden van de militairen en is het voorbij.

Op slechte dagen ontploft de plek, zoals me in april vorig jaar overkwam. Palestijnse jongens verstoppen hun gezicht achter een keffiyeh, graaien stenen van de grond en gooien ze naar de Israëlische soldaten. Ze verschuilen zich achter mijn auto en de auto’s rondom mij. Er komen legervoertuigen uit tegengestelde richting, je hoort een paar keer ‘boem’ en er vliegen traangasgranaten door de lucht. In een paar seconden is Qalandia een chaos, waarvan je, nadat je de soldaten gepasseerd bent, blij bent dat je het weer overleefd hebt.

In Ramallah kun je een geweldige tijd hebben: er zijn cocktailbars, uitstekende restaurants en hippe winkels. Vervolgens ga je naar Tel Aviv, waar al net zo’n niets-aan-de-hand-sfeer heerst. Twee werelden die op elkaar lijken, maar die niets met elkaar te maken hebben. Het probleem van Qalandia, zegt mijn reisgenoot op die aprilmiddag, is dat de twee werelden elkaar hier raken. „Israëliërs en Palestijnen hebben een prima leven zolang ze elkaar niet tegenkomen. Hier komen de twee werelden het dichtst bij elkaar, als magneten die elkaar afstoten.”

Joodse Israëliërs en Palestijnen wordt vaak gevraagd wat ze van elkaar vinden. Bijna de helft van de Joodse Israëliërs wil geen Palestijnse buren hebben. Iets meer dan de helft, 53 procent, vindt dat de regering „het recht heeft Arabische burgers aan te moedigen om te emigreren”. Ongeveer 62 procent van de Palestijnen in Israël beschouwt Joodse Israëliërs als „buitenlanders die niet in de regio horen”.

Tijdens een bezoek aan Ramallah stelde ik een Duits-Israëlische vriendin voor aan een Palestijnse vrouw. Die vriendin weet hoe het is om te zwijgen. Ze werkte als onderzoeker in de Palestijnse stad Jenin en verzweeg daar dat ze een Israëlische echtgenoot heeft. Als ze naar de Westelijke Jordaanoever gaat, laat ze haar trouwring thuis. In Ramallah vertelde ze in een vlaag van onoplettendheid aan de Palestijnse tafelgenote over het werk van haar man, in Tel Aviv. De vrouw zweeg even en zei: „Dus je bent getrouwd met Moshe.”

„Zo heet hij niet”, antwoordde ze beduusd.

„Voor mij heten alle Israëliërs Moshe”, zei de vrouw ijzig. „Moshe en Shoshanna.”

Het was ook dom van me, zei de vriendin na afloop. „Ik maak nooit zo’n fout, ik weet precies hoe ik kan praten zonder iets over mezelf los te laten.” Dat is eenzaam, zei ik. Ze haalde haar schouders op. Ze weet niet beter.

Dezelfde eenzaamheid trof me bij de Palestijns-Israëlische schrijver Sayed Kashua, die op dit moment in Israël groot succes heeft met zijn sitcom Arabisch Werk. Zijn alter ego in de serie heet Amjad, een Palestijn die probeert Joodse vrienden te maken. Amjad, zegt Kashua in zijn huis in een Joodse wijk in West-Jeruzalem, is als hijzelf. „Hij doet alles om het respect van zijn Joodse vrienden te winnen. Hij viert de Israëlische Onafhankelijkheidsdag, een zwaar beladen dag voor Palestijnen. Hij doet mee aan een burgerwacht in zijn buurt. Maar hij ontmoet onbegrip en tegenwerking. Zijn vader beschuldigt hem soms van verraad. Zijn Joodse vrienden laten hem vallen.”

Terwijl Amjad probeert over de gapende kloof tussen beide volken heen te springen, dondert hij er steeds weer in. Dat is grappig in een comedyserie, maar als ik naar de nerveuze handbewegingen van Kashua kijk, zie ik een onbegrepen man zonder vrienden.

Alleen een radicale boedelscheiding tussen Joden en Arabieren kan het al decennia slepende conflict oplossen, concludeerde Israëls beroemdste schrijver, Amos Oz, in zijn essay Hoe genees je een fanaticus? „Een scheiding doet altijd pijn. Heel lastig, maar beter dan de levende hel waarin iedereen in dat geliefde land nu leeft.”

Voor oprechte vrede zijn de harten te verkild, aldus Oz. „Ik denk niet dat zodra er een toverformule is gevonden, de twee antagonisten elkaar plotseling huilend in de armen zullen vallen in een dostojevskiaans tafereel waarin lang verloren gewaande broeders zich verzoenen.”

Oudere Israëliërs en Palestijnen kennen de tijd nog dat ze bij elkaar op bezoek kwamen, samen werkten of boodschappen bij elkaar deden. De Westelijke Jordaanoever was nog niet het ommuurde gebied waar de stedelijke centra verboden zijn voor Joodse Israëliërs. De Gazastrook trok in de jaren tachtig nog koopjesjagers uit Tel Aviv.

Ook toen waren er oorlogen en opstanden. Maar in ieder geval wísten beide partijen nog wie ze haatten.

In Gaza werk ik veel en graag met de lokale journalist Sami Ajrami. Deze kettingrokende veertiger is een atypische verschijning in Gaza-stad: hij noemt zichzelf atheïst, leeft gescheiden van zijn vrouw en snakt sinds de machtsovername door de islamitische beweging Hamas en de daaropvolgende drooglegging van Gaza naar een stevige borrel. We zitten in café Mazaj (‘stemming’), een van de weinige plekken in Gaza waar mannen en vrouwen ongestoord bij elkaar aan tafel kunnen zitten. Als de telefoon gaat, neemt Sami zonder schroom in het Hebreeuws op. Hij is correspondent voor de Israëlische publieke zender Kanaal 2 en de krant Ma’ariv. In Israël is hij vrijwel de enige Palestijn die het grote publiek regelmatig verhalen uit Gaza kan vertellen.

Sami werkte, toen de grenzen nog open waren, vijf jaar lang als koerier in Tel Aviv. Hij kent er elke straat. Zijn Hebreeuws is nog altijd vloeiend en met een luid ‘maslomcha chaver’ (hoe gaat het, vriend) neemt hij de telefoon aan. Een tafelgenoot sist en maakt een gebaar om zachter te praten. Hebreeuws is de taal van Israël, de vijand. Een vijandbeeld dat in Israël, weet Sami, niet veel minder is. Daar denken veel mensen dat in Gaza alleen extremisten met baarden zitten, bloeddorstig wachtend op het moment dat de grenzen opengaan. „Dat is het effect van de blokkade geweest: de volken zijn uit elkaar gedreven, ze kennen elkaar niet meer.”

Buiten worden honderden nieuwe recruten van de Hamas-politie getraind. Ze joggen op straat heen en weer in hun blauwe uniformen. Hamastan, zo wordt Gaza in Israël vaak genoemd. Een islamitisch rijk, geregeerd door extremisten. Sami zegt dat die uitleg van Hamas’ aartsvijand overdreven is. „Palestijnen zijn gelovige, maar uiterst koppige mensen. Die dring je geen kalifaat op. Hamas weet dat en schippert tussen ideaal en werkelijkheid. Maar zolang Israël en Gaza geen contact hebben, groeien hele generaties Palestijnen op zonder een idee van hun buurland. Dat speelt Hamas in de kaart, want zij kunnen alles beweren over hun grote vijand.”

Jonge Palestijnen – de meerderheid van de bevolking is minderjarig – zijn nooit in Israël geweest. Gaza is ommuurd, en omsingeld door Israëlische vliegtuigen en oorlogsschepen. De Israëlische blokkade, bedoeld om Hamas op de knieën te dwingen en de gevangen Israëlische militair Gilad Shalit terug te krijgen, maakt het vrijwel onmogelijk voor Palestijnen uit Gaza om Israël nog te bezoeken. Sami, bitter: „De enige Israëliërs die ze zien, zijn de soldaten die het gebied binnenvallen.”

In deze sfeer van onbegrip en wantrouwen is het niet vreemd dat van een vredesproces helemaal geen sprake meer is. In 2008 werd er nog voor de vorm gepraat, inmiddels ligt elk gesprek tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit plat. Het Palestijnse probleem is vanuit Israëlisch perspectief een stuk minder groot geworden: aanslagen zijn er nauwelijks meer en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem heeft Israël de afgelopen jaren niet in de problemen gebracht.

Onder Palestijnen heerst evenmin enthousiasme om te onderhandelen. Nog altijd is er een kleine groep Israëlische en Palestijnse pleiters voor een tweestatenoplossing die, in de geest van de Oslo-akkoorden van 1993, over kaarten gebogen stippellijnen zitten te trekken. Maar beide bevolkingen zijn het geloof hierin allang kwijt.

Goede bedoelingen ten spijt, ook in Neve Shalom vormen Joden en Palestijnen totaal verschillende werelden. Gemengde huwelijken zijn er na ruim dertig jaar nog steeds niet. Hebreeuws is de dominante taal. Palestijnse ouders uit omliggende dorpen sturen hun kinderen vooral naar de school, omdat goede kennis van het Hebreeuws een betere carrière belooft. Grote gebeurtenissen, zoals de Gaza-oorlog in 2008 en 2009, en de Libanon-oorlog van 2006, maken de spanningen tussen Joden en Palestijnen meteen zichtbaar.

In 1997 kwam een jonge inwoner van Neve Shalom, Tom Kitain, om het leven bij een helikopterongeluk. Hij bleek op weg naar het front in Libanon. Veel inwoners waren verdrietig, maar sommigen waren woedend: een inwoner van het vredesdorp heeft niets te zoeken in het leger. Lange tijd moesten de ouders van de jongen hun best doen om een monumentje te mogen oprichten voor hun zoon. Uiteindelijk gingen de Palestijnse inwoners akkoord met de neutrale tekst: „Ter herinnering aan onze Tom Kitain, een kind van vrede dat werd gedood in oorlog”.

Vriendschappen tussen Joodse en Palestijnse kinderen eindigen abrupt op hun achttiende. Dan begint voor Joden de militaire dienstplicht en zijn de Palestijnen de vijand. Bob Mark heeft twee volwassen dochters, Naomi en Neriya. Ze hebben allebei dienst geweigerd. Bob vergezelde hen bij militaire hoorzittingen waar ze moesten aantonen gewetensbezwaren te hebben tegen het leger. Naomi en Neriya wilden niet dienen in een leger dat de Palestijnse gebieden bezet. Vrijstelling van de dienstplicht wordt zelden gegeven en ontduiking is een misdrijf, maar bij beide dochters lukte het. Ze hoefden alleen een maatschappelijke stage te doen. „Ik ben trots op ze, al heb ik destijds zelf een andere keuze gemaakt.”

Voor veel inwoners van Neve Shalom is idealisme allang niet meer de enige reden waarom ze in het dorp wonen. Arabische ouders uit de wijde omgeving sturen hun kinderen naar de School van Vrede, omdat ze hier vloeiend Hebreeuws leren spreken. Dat helpt de kinderen verder in hun carrière in Israël, zeggen ze.

Pioniers, hippies of visionairen kom je niet meer tegen in Neve Shalom, zegt Bob Mark. „Het idee van het dorp is eerder wat belegen. Het ademt de geest van de jaren zeventig: als er een conflict is, ga je in een kring zitten praten. Dat is veilig, je kunt eeuwig doorpraten. Daarom wordt het dorp in Israël en het buitenland zo gewaardeerd. Maar stel je voor dat we concluderen: het moet vanaf nu allemaal anders in Israël. Dan worden we opeens een politieke organisatie, en zou de buitenwereld ons veel te bedreigend vinden.”

Dit is de laatste bijdrage van correspondent Guus Valk uit Israël. Hij wordt correspondent in Washington.

    • Guus Valk