Shell is niet schuldig aan die vervuiling

Op de opiniepagina van 10 augustus staat een brief van Lubbers et al., waarin wordt gepleit voor Nederlandse druk op Shell om de schade in Nigeria ten gevolge van olieverontreinigingen te compenseren. De brief insinueert dat Shell schuldig is aan deze verontreiniging en voert als bewijs aan dat het voor een Britse rechter heeft toegegeven verantwoordelijk te zijn voor twee lekkages. Dit verdient enige nuancering.

Shell heeft omstreeks 1993 de activiteiten in Ogoniland gestaakt omdat het werken daar onverantwoord was geworden ten gevolge van banditisme. Het heeft blijkbaar verantwoordelijkheid aanvaard voor olielekkages, die zich in 2008 hebben voorgedaan in Ogoniland omdat de installaties niet voldoende ‘bandiet-proof’ waren achtergelaten. Dit siert Shell, want het ligt voor de hand dat pogingen om olie te stelen debet zijn aan de lekkages; Shell was immers al zo’n 15 jaar niet meer actief in het gebied.

UNEP heeft nu vastgesteld dat er grote milieuschade heeft plaatsgevonden ten gevolge van oliemorsingen uit Shell-installaties, maar er wordt niet bij vermeld dat deze veroorzaakt werden door lokale bandieten, die leidingen lek prikten. Pogingen om de rommel weer op te ruimen zijn dus niet effectief genoeg gebleken. Het is echter moeizaam werken in een gebied waar de overheid de veiligheid van het personeel niet kan garanderen, de reden waarom Shell zich uit Ogonigebied heeft teruggetrokken.

Het is dus nogal goedkoop om op te roepen tot Nederlandse druk op Shell om de door de bevolking zelf aangerichte schade te compenseren. De Nederlandse overheid zou terughoudend moeten zijn bij het bevorderen van claims van Nederlandse bedrijven in het buitenland, maar het omgekeerde hoeft nu ook weer niet. Wellicht is het een idee om een deel van de gelden die Nederland spendeert aan ontwikkelingshulp aan te wenden voor leniging van het milieuprobleem in Nigeria.

J.J. van der Vuurst de Vries

Em. hoogleraar petroleumwinning