Onrust aan het IJ

Het Muziekgebouw aan ’t IJ ontsloeg vorige maand directeur Tino Haenen. Het moet allemaal anders, vindt de raad van toezicht. Maar wat is er precies mis? En hoe kan het anders?

In het jaarverslag uit april is nog niets aan de hand. 2010 was een goed jaar voor het Muziekgebouw aan ’t IJ, concludeert de raad van toezicht. Een „uitdagende programmering, stabiele bezoekersaantallen” en financieel gezond. Het Muziekgebouw is „klaar voor de grote uitdagingen die de komende jaren op ons zullen afkomen”.

Dat de werkelijkheid in feite alarmerend is, blijkt drie maanden later. Het Muziekgebouw aan ’t IJ ontslaat in juli directeur Tino Haenen, een paar dagen nadat de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels (PvdA) zich in de Volkskrant had laten ontvallen dat het Muziekgebouw misschien maar moet fuseren met het Concertgebouw. Volgens de officiële lezing is in onderling overleg besloten het dienstverband te beëindigen. De bezuinigingen in de culturele sector vragen „om een andere vorm van leiderschap, meer gericht op cultureel ondernemerschap”. Haenen zelf zegt „volstrekt verbijsterd” te zijn door zijn ontslag. „Ik zou er zeer veel over kunnen zeggen, maar laat ik wijzer zijn en mijn positie niet verder verzwakken.”

Jan Doets, voorzitter van de raad van toezicht, is helder over de toedracht. „In gesprekken met Haenen hebben wij er anderhalf jaar lang op aangedrongen dat de bezoekcijfers omhoog moesten”, zegt hij. Het Muziekgebouw heeft twee zalen: een grote (725 stoelen) en een kleine (100 stoelen). Daar zijn jaarlijks tweehonderd concerten, klassieke en hedendaagse muziek vooral, bezocht door 90.000 mensen. De gemiddelde zaalbezetting bij concerten is laag: 45 procent. Ter vergelijking: het grotere en buiten Amsterdam meer bekende Concertgebouw (2.000 stoelen in de grote zaal, 435 in de kleine) trekt met achthonderd concerten rond de 750.000 bezoekers en heeft een gemiddelde bezettingsgraad van 80 procent.

Het Muziekgebouw in Amsterdam is niet het eerste muziekpodium in Nederland dat vrij snel na de opening in problemen raakt. Ook nieuwe poppodia zoals het Patronaat in Haarlem of De Vorstin in Hilversum kampen met dergelijke problemen. „Gemeenten willen wel graag een prestigieus concertgebouw neerzetten,” zegt Hans van Beers, interim-directeur van het Nederlandse kenniscentrum voor muziek MCN. Maar als overheden de exploitatie niet meerjarig steunen, gaat het vaak mis.

Bij het Muziekgebouw in Amsterdam moet en kan het beter, stelt toezichthouder Doets. „De directeur moet meer zijn dan een muziekkenner.” Vooralsnog kent het Muziekgebouw geen financiële problemen. Maar de gemeente Amsterdam moet bezuinigen en sommige ensembles zullen misschien verdwijnen. Dat zal de gemeente Amsterdam allemaal meewegen in het subsidieadvies, meent Doets. Er is, kortom, slecht weer op komst. „Dan blijf je niet dezelfde koers doorvaren, dan neem je maatregelen. Anders zit je voor je het weet in de gevarenzone.”

Het Muziekgebouw (bouwkosten 60 miljoen euro) was al voor de eerste paal de grond inging onderwerp van discussie. Initiatiefnemer Jan Wolff werd in 2005 de eerste directeur van wat dé concertzaal voor de internationaal geroemde Nederlandse ensemblecultuur moest worden. Bert Janmaat, toenmalig secretaris van de Amsterdamse Kunstraad, was tegen: een Muziekgebouw zo groot en duur zou alleen zinvol zijn als er ook voldoende middelen zouden resteren voor de exploitatie. „Daar wringt het nog steeds”, zegt hij nu. De beheerkosten van het gebouw zijn zo hoog dat er te weinig geld overblijft voor de programmering. Janmaat: „Het Muziekgebouw wordt daardoor te weinig gebruikt voor waar het voor is bedoeld: cultuur.”

Volgens het jaarverslag van de Stichting Muziekgebouw aan ’t IJ is de boekhouding op dit moment sluitend, ondanks een koers die concerten met ‘eigentijdse muziek op hoog niveau’ centraal stelde. Het Muziekgebouw, vond directeur Haenen, moest zich duidelijk profileren als Concertzaal van de 21ste eeuw, een plek voor „innoverende, inspirerende en internationale concerten”. Haenen verkoos daarbij in zijn programmering kwaliteit boven kwantiteit. Op zich is dat begrijpelijk: het programmabudget van zes ton subsidie per jaar is laag. Het Concertgebouw daarentegen reserveert helemaal geen subsidie voor de eigen programmering. Die wordt daar uit sponsoring en kaartverkoop bekostigd. Wat podia aan artiesten betalen, is niet duidelijk. Ook op dat punt bestaan verschillen.

Een gevolg van de keuze voor ‘schaarste’ is dat de kleine zaal van het Muziekgebouw nauwelijks wordt bespeeld en de grote zaal vaak leeg staat. „Driehonderd concerten was destijds het uitgangspunt wil het gebouw een beetje tot leven komen”, zegt initiatiefnemer Wolff. „Dat zijn er nu tweehonderd.”

Bert Janmaat nuanceert die woorden. „Ik denk niet dat we Haenen mogen aanrekenen dat het Muziekgebouw gewoon te groot is voor het soort muziek waarvoor het bedoeld is.” Duco Stadig, toenmalig wethouder voor stedelijke ontwikkeling, zei: als het niet lukt met de muziek, kunnen we er altijd nog een congresfunctie aan geven. Het gebouw staat op een A-locatie en is van de gemeente. Janmaat: „Dat scenario dreigt waarheid te worden.”

De stichting Het Muziekgebouw kreeg tot nu toe 3 miljoen subsidie van de gemeente Amsterdam en haalt ongeveer de helft daarvan op aan eigen inkomsten. Van die 3 miljoen vloeit er 1 terug naar de gemeente (gebouwhuur) en gaan er bijna 2 op aan beheerkosten van het gebouw. De rekensom is snel gemaakt: om een gebouw van deze schaal draaiende te houden, is gewoonweg meer geld nodig. Maar Amsterdam heeft geen extra geld. Integendeel: de stad moet bezuinigen. In haar Vooruitblik op de hoofdlijnen 2013-2016 schrijft cultuurwethouder Gehrels: „De positie en de exploitatie van het Muziekgebouw aan ’t IJ komt onder grote druk te staan als zowel bewoners/huurders van het gebouw als bespelers van de podia wegvallen. Welke vormen van samenwerking zijn mogelijk? Zijn er andere bedrijfsmodellen voor het Muziekgebouw aan ’t IJ om dit podium een bestendige toekomst te geven?”

De algehele leiding over het Muziekgebouw is na Haenens vertrek in handen van zakelijk directeur Boudewijn Berentsen. „We zijn aan het onderzoeken op welke manieren we binnen het gebouw beter kunnen samenwerken”, beaamt hij. „Op dit moment zijn het Muziekgebouw aan ’t IJ, het Bimhuis en alle inhuizige ensembles aparte instellingen. Dat kan misschien efficiënter.”

Gerard de Kleijn, de huidige voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad, vindt dat de stad moet investeren in haar „rol als kosmopolitische kweekvijver” en juist daarom moet kiezen voor topinstellingen met allure, zoals het Concertgebouw en het Muziekgebouw aan ’t IJ. Maar zelfs al neemt de gemeente zijn advies over en blijft de subsidie aan het Muziekgebouw op peil, dan nog wachten het podium artistiek zware tijden.

De gezelschappen en ensembles die de zaal nu bespelen, moeten straks alle aankloppen bij het Fonds Podiumkunsten. Maar ook dat heeft minder te verdelen dan voorheen: 43 in plaats van 62 miljoen euro. En instellingen die niet meer direct worden ondersteund door het Rijk zullen óók aankloppen bij het Fonds. De druk op het budget voor meerjarige subsidies neemt daardoor met bijna 60 procent toe.

Die ensembles zijn belangrijk voor het aantal concerten, zegt directeur Boudewijn Berentsen. „Als ze omvallen, heeft dat vooral grote consequenties voor de programmering; artistiek zal het een zware slag zijn. Maar financieel is de impact minder groot voor het Muziekgebouw.” Berentsen moet op zoek naar externe geldschieters.

Het aantal zakelijke bijeenkomsten in het Muziekgebouw is nu al hoog: negentig commerciële verhuringen genereren ongeveer een half miljoen euro. Maar het Muziekgebouw heeft „groeipotentie in de eigen inkomsten”, vindt toezichthouder Jan Doets. „Soms willen bedrijven de zaalhuur twee jaar tevoren vastleggen. Tot dusverre was dat lastig: culturele activiteiten gingen voor. Ik kan me voorstellen dat dat een beetje gaat veranderen.”

Ironisch: het evenement dat toezichthouder Doets noemt als voorbeeld van hoe het ook artistiek dan wel moet, de Cellobiënnale, onderstreept het belang van voldoende middelen. „Een evenement van artistiek hoog niveau waarbij het gebouw opeens wél vol zat”, zegt Doets. Maar de Cellobiënnalle kost als los evenement 8 ton: meer dan het hele programmabudget van het Muziekgebouw zelf.

Volgens oud-directeur Jan Wolff is het Muziekgebouw niet alleen artistiek, maar ook commercieel een verkeerde weg ingeslagen. Café-restaurant Star Ferry, met een enorm terras aan het IJ, werd begin dit jaar afgestoten. Star Ferry, bedoeld als onderdeel van het Muziekgebouw, ging dit jaar over naar een externe partij: Verhaaf Partycatering.

In het Muziekgebouw wordt druk vergaderd: hoe nu verder? Haenen was artistiek én algemeen directeur. „Of dat optimaal is, gaan we later deze maand bespreken”, zegt toezichthouder Doets. Ook een scenario met een algemeen directeur en een artistiek leider zonder eindverantwoordelijkheid wordt onderzocht. De vraag is of het Muziekgebouw met een algemeen directeur nog zal ontkomen aan het scenario dat door Stadig al was voorzien: dat van een gebouw dat voor minimaal de helft van de tijd wordt gevuld met congressen en waar nog wel muziek te horen is, maar dan meer mainstream.

Als de bezoekers de weg al weten te vinden. Centraler in de stad lonkt het Concertgebouw. De kaarten zijn er duurder, maar de zaal is ouder en vertrouwder.

    • Mischa Spel