Klein land, wat nu?

Noorwegen, een vreedzame en gematigde samenleving, heeft met de aanslag in Oslo en de moorden op Utøya de haat herontdekt. Erik Fosnes Hansen beschrijft zijn woede en zijn vleugje hoop.

Een elfjarig jongetje draait zich om naar de dader van de aanslag. Met kinderlijk koppige moed kijkt hij de moordenaar aan. Die heeft het wapen al op hem gericht. Het jongetje zegt: „Schiet me niet neer. Je hebt al genoeg geschoten! Je hebt mijn papa omgebracht. Ik ben te jong om te sterven. Waarom laat je ons niet met rust?” De moordenaar aarzelt. Dan laat hij zijn wapen zakken. Hij moordt verder. Hij laat het jongetje staan – met zijn verlies, met zijn verdriet.

Sinds drie weken huilt Noorwegen om verhalen zoals dit. Het zijn er te veel. We hebben ze nog niet allemaal gehoord. Onze woede heeft dimensies bereikt die ik ons afstandelijke Noren niet zou hebben toevertrouwd. We schreeuwen het niet uit op straat. Dat is niet onze manier van doen. Over de moordenaar wordt zachtjes gesproken, verbitterd, vol verachting.

Anders Behring Breivik – sinds ik zijn gezicht voor de eerste keer heb gezien en zijn naam voor het eerst hoorde, wist ik dat hij in ons bewustzijn gebrand zou blijven, eens en voor altijd, als een symbool van het ultieme kwaad, van de ergste gewelddaad die ons land heeft meegemaakt sinds de Tweede Wereldoorlog. Zijn foto’s op internet, waarop hij verliefd op zichzelf poseert in allerlei uniformen en kledingstukken, de zelfgenoegzame grijns op zijn gezicht toen hij in Oslo naar de rechter-commissaris werd gereden, zijn zelfverzonnen heldendom en de übermenschtheorie – het is allemaal onverdraaglijk. Al na een dag ontdekte ik dat ik zijn naam niet meer kon horen.

Mijn ouders, geboren in 1920 en 1921, hebben ooit geprobeerd om me uit te leggen wat ze voelden voor Vidkun Quisling, de door de Duitsers ingezette nazi-‘minister-president’ van 1940-1945. Het is moeilijk, zeiden ze, „om te beschrijven hoe intensief we hem haatten. We haatten hem iedere minuut, dag en nacht. We haatten hem – en de meelopers – bijna méér dan de bezetters zelf. Je kunt helemaal niet begrijpen hoezeer we hem haatten, verachtten, verafschuwden; we konden het niet eens verdragen om zijn naam te horen.”

Ook deze Noorse ‘Führer’ had overigens het gevoel dat hij was bezield door een grote Europese missie. Net als Breivik schreef hij onbeholpen, pseudofilosofische opstellen. Dichter Arnulf Øverland schreef in een smaadgedicht over hem:

Het vrije volk, zo mag ik menen,

zal je vergeten, niet bewenen.

Inmiddels begrijp ik de intensiteit van de haat van mijn ouders. We hebben gezien dat een subcultuur die slechts uit één persoon bestaat genoeg is om een maatschappij te ontwrichten, of hij nu Timothy McVeigh heet of... nee, ik mag zijn naam niet in de mond nemen.

Hebben wij ons ooit afgevraagd of dit kon gebeuren in Noorwegen, in ons kleine, gelukkige land, Norvegia felix?

Ik geloof van niet. In feite kon het misschien wel overal gebeuren, maar niet hier – niet in ons kleine, beschaafde, vreedzame land, niet in onze groene, ietwat saaie, vreedzame stad Oslo.

Voor buitenstaanders kan het onbegrijpelijk zijn hoe roerend vreedzaam, hoe onschuldig naïef en hoe open mijn kleine land en stad tot nu toe zijn geweest. Onder minimale veiligheidsmaatregelen kon je zó het parlement en de regeringsgebouwen binnenwandelen. Op een paar uitzonderingen na woonden de kabinetsleden heel gewoon en onbewaakt in Oslo. Na half twaalf ’s avonds konden de ministers geen beroep meer doen op de ministeriële dienstauto’s. Dan hadden de chauffeurs vrij. De ambtsdrager die dan niet wilde slapen, maar wilde uitgaan, moest een tram of taxi nemen – zonder lijfwachten.

Heb ik niet verteld dat er geen persoonsbewaking is? Natuurlijk hebben de ministers die niet, behalve de premier en de minister van Buitenlandse Zaken. Zelfs bij de weinige belangrijke mensen in ons kleine, gelukkige land die tot nu toe wel persoonsbescherming genoten, is zij grotendeels onzichtbaar.

Een paar weken geleden ontmoette ik in een park in de buurt van mijn woning het kroonprinselijk paar. Ze zaten met een van hun kinderen op een bank in de zon en aten ijs. Wij kennen elkaar van officiële gelegenheden. Ik bleef staan, groette hen en praatte wat met ze. Steels keek ik om me heen. Ik wist dat er een paar politiemensen in de buurt moesten zijn. Dat is altijd het geval, maar nee, ik zag niemand. Misschien vonden ze de situatie zó ongevaarlijk dat ze in hun auto bleven zitten om het jonge gezin in alle rust ijs te laten eten. Na deze onverwachte ontmoeting slenterde ik zelf, ijs etend, door de straten van mijn groene, vriendelijke – ietwat saaie, maar tevreden – Oslo, de stad van mijn kindertijd, het landschap van mijn jeugd. Ik dacht: we zijn werkelijk een eigenaardig land. Wat hebben wij een geluk.

Norvegia felix, in velerlei opzichten – ook economisch bevindt het land zich in een toestand die op de meeste andere westerse, industriële samenlevingen moet overkomen als een fata morgana. De rest van Europa wordt getroffen door steeds weer nieuwe crisisgolven. In Noorwegen vloeien melk en honing, of, beter nog – olie en gas. Miljoenen tonnen worden uit de zeebodem omhoog gepompt, 24 uur per dag. Noorwegen moet het enige westerse land zijn dat solvabel en volledig schuldenvrij is en bovendien geld heeft gespaard: om precies te zijn een fonds van 394 miljard euro, omgerekend 80.000 euro per staatsburger, inclusief baby’s en ouden van dagen. Dit geld moet de toekomst bekostigen.

Boven op dit geweldige spaarkapitaal komen de olie-inkomsten. Die spekken de nationale begroting. De staat kan zich, net als vroeger, sociale en materiële inspanningen getroosten die de rest van Europa allang op een laag pitje heeft moeten zetten. Daarbij komt nog de lange, slechts door de Tweede Wereldoorlog onderbroken, vreedzame en democratische geschiedenis van het land, met zijn gegarandeerde burgerrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting. Die dateert uit 1814.

Is het een perfect land? Beslist niet. Dikwijls is het wat prozaïsch en strijdlustig, zoals dat het geval is bij veel kleine gemeenschappen. Het is dikwijls provinciaal en kleingeestig, maar precies daarop – op de kunst om in een vreedzame en democratische rechtsstaat te leven – zijn de Noren, net als andere Scandinaviërs, met recht een beetje trots. Wij hebben de democratie weliswaar niet uitgevonden, maar hebben haar duurzaam gemaakt. Dat is nou onze historische prestatie.

Al deze bijna utopische zaken waren dus voor deze ene persoon – wiens naam ik niet meer wil noemen, die ik wil vergeten – niet goed genoeg. Alles waar de rest van de wereld ons om benijdt, bestond voor hem uit symptomen van decadentie en het verlies van alle waarden. Immigratieproblemen vormden voor hem een bedreiging, geen uitdaging. De liberale en humanistische opvattingen, die in onze pers en in de publieke debatten doorklinken in het hele politieke spectrum, vatte hij op als verraad, maar als verraad waarvan? Van het land? Van het typisch Noorse? Van het Noorse volk? Bijna vijfduizend namen van de Noorse elite moeten op zijn dodenlijst hebben gestaan – waarschijnlijk zo ongeveer iedereen die weleens optreedt in de openbaarheid. De massale solidariteitsbetuigingen van de afgelopen weken hebben aangetoond dat hij zijn lijst net zo goed had kunnen verduizendvoudigen.

Om het land en de toestand te bereiken die hij wenselijk acht, had hij ons allemaal moeten ombrengen. Dan had hij kunnen gaan zitten – moederziel alleen, met wellicht een handjevol gelijkgezinden – en kunnen heersen over een leeg Noorwegen dat eindelijk zou hebben voldaan aan zijn ideaal: volkomen gezuiverd.

De hersenspinsels van een eenzame en enigszins slecht opgevoede jonge man, die in zelfontworpen gala-uniformen thuis in zijn jongenskamer zit, heldhaftige dromen vol grootheidswaanzin over een gezuiverd Europa koestert en zich er ten slotte toe zet om deze fantasieën in daden om te zetten – dit alles leidt onvermijdelijk tot bepaalde historische associaties.

Klein land, wat nu? Deze aanslag was rechtstreeks gericht tegen onze manier van leven. Een zomerkamp van geëngageerde, idealistische jongeren – zoals we die kennen van de jeugdorganisaties van alle Noorse partijen – is veranderd in een bloedig slagveld. In de Noordse julinacht ligt de regeringswijk er troosteloos bij, leeg als uitgeblazen eierschalen. De mensen staan voor de kathedraal en huilen stilletjes. De kaarsen flakkeren in de bloemenzee. Wat zal er gebeuren met onze manier van leven? Zal het ons lukken om onze waarden overeind te houden – onze openheid en de beschaafde omgang met elkaar? Mijn kleine land, wat moet er van jou worden?

Een menigte van tweehonderdduizend mensen, bijna de helft van de bevolking van Oslo, verzamelde zich voor het raadhuis. Ze groeiden uit tot een volksmenigte zoals men die sinds 7 juni 1945, toen koning Haakon VII na de oorlog uit ballingschap terugkeerde en de Noorse democratie weer in ere herstelde, niet meer had gezien. In een diep, waardig zwijgen luisterden ze naar de woorden van de kroonprins. Het buitenland kent hem vooral dankzij zijn droomhuwelijk. Wij Noren waarderen hem als een ontwikkelde, gerespecteerde en liberale man. Vandaag zijn de straten vol liefde, zei hij. „We hebben besloten om de wreedheid te beantwoorden met menselijke naastenliefde. We hebben besloten om de haat tegemoet te treden met verbondenheid. (…) Het zal niemand lukken om ons het Noorwegen te ontnemen waarvan wij houden.”

Dit waren mooie en verstandige woorden, maar had hij ook gelijk? Hij volgde in zijn rede de waardige toon die jongeren die het bloedbad van Utøya hadden overleefd in de uren onmiddellijk na de tragedie aansloegen. Minister-president Stoltenberg nam in zijn uitlatingen dezelfde houding aan.

Het waren waardige en warme woorden, maar waren ze ook waar? Wij weten – alsof we dat niet eerder wisten! – dat op het internet verwarde, geschiedvervalsende, paranoïde haat jegens de maatschappij floreert, ook al is het slechts binnen kleine groeperingen, maar een minderheid van één man is al genoeg. We weten nu ook welk potentieel gevaar besloten ligt in het billijken van vijandigheid en intolerantie jegens vreemdelingen, in de verachting van politici en in de haat jegens maatschappelijke groeperingen – niet in de laatste plaats de intellectuelen. Dit is het gedachtengoed waarvoor rechts-populistische partijen als de Noorse Vooruitgangspartij staan. Zij krijgt bij opiniepeilingen de steun van minimaal eenvijfde van de ondervraagden, maar het mag niet salonfähig worden om politieke tegenstanders met scheldwoorden te bejegenen of om sociaal-democraten en intellectuelen uit te maken voor „ratten” of „verraders”. De Vooruitgangspartij – waarvan de pleger van de aanslag ooit lid is geweest, totdat hij haar niet radicaal genoeg meer vond – moet de discussie over deze retoriek van de haat snel voeren.

De verantwoordelijkheid om in openbare discussies het fatsoen te bewaren, ligt bij ons allemaal. Fatsoen, matigheid en respect voor de motieven en opvattingen van tegenstanders zijn grondslagen en voorwaarden voor alle werkelijk democratische en tolerante debatten en maatschappijsystemen. Als we deze deugden verloren laten gaan, kan de haat zich verspreiden.

Wat moet er worden van het kleine Noorwegen? Het beeld van militairen in volle wapenrusting voor de overheidsgebouwen in Oslo ervaren wij als een nederlaag – hoe dankbaar we ook zijn voor deze bescherming. Machinegeweren passen niet bij onze samenleving.

Toen ik zag hoe die tweehonderdduizend mensen rozen naar de hemel omhoogstaken, dacht ik evenwel: ça ira. Het gaat lukken. Onze samenleving heeft armoede, klassenstrijd en bezetting doorstaan. Als ik zie hoe wildvreemde mensen elkaar op straat huilend om de nek vallen, denk ik aan de woorden van dichter Nordahl Grieg, uit 1940: Wij zijn met zo weinigen in ons land. Iedere dode is een broeder en vriend.

Misschien is juist dat wel de potentiële kracht van elk klein land – de korte afstand van mens tot mens. Zie ik evenwel die foto van hem wiens naam ik het liefst zou vergeten, dan denk ik: is die afstand wel kort genoeg geweest? Hoe kon deze naamloze zo ver verwijderd raken van de waarden die hem een leven lang hebben omringd? Zijn er nog anderen zoals hij?

Ik weet het niet. Ik maak me zorgen en ik hoop. Vandaag huil ik vooral – om jou, mijn kleine stad, en om jou, mijn geliefde kleine, enigszins saaie land.

Erik Fosnes Hansen is een Noorse romanschrijver. Dit artikel verscheen eerder in onder meer het Franse dagblad Le Monde.

    • Erik Fosnes Hansen