Geen land overleeft de economische storm zonder Europa

De financiële crisis kan nog steeds uitdraaien op de ergste crisis tot nu toe. Zonder de beschutting die Europa en de euro ons bieden, zouden alle Europese landen al zijn omgevallen – zelfs Duitsland. Het wachten is op een aansprekende politicus die dat vertelt, stelt Johan Schaberg.

President Trichet van de Europese Centrale Bank (ECB) spreekt over de financiële crisis die over de aardbol raast als de „grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, en het kon de ergste worden sinds de Eerste Wereldoorlog als leiders geen belangrijke beslissingen hadden genomen”. Dit klinkt als een niet-verwijtbare manier om een verwijt te uiten. De echt belangrijke beslissingen zijn nog steeds niet genomen. Als Trichet gelijk heeft, kan het nog steeds uitdraaien op de ergste crisis sinds mensenheugenis. Intussen liet onze premier, op zijn vertrouwde what-me-worry-manier, weten dat hij zijn vakantie niet zou onderbreken.

Het zijn de centralebankiers die in de huidige situatie de regie in handen hebben, constateerde deze krant. Dat is vermoedelijk niet omdat ze het zo graag willen, maar omdat ze de laatste verdedigers zijn van een voetbalteam dat zwaar onder druk staat. The buck stops here, had politicus Harry Truman op zijn bureau staan. De politici geven die buck nu door aan de centralebankiers.

Zo doet de huidige situatie op nog een manier denken aan de periode tussen de twee wereldoorlogen. In zijn meeslepende boek The Lords of Finance, the bankers who broke the world beschrijft Liaquat Ahamed hoe de centralebankiers van Duitsland, Engeland, Frankrijk en de VS sleutelden aan de stuurprogramma’s van het financiële systeem, terwijl radeloze politici probeerden de internationale orde op de weg te houden. Alleen is het nu omgekeerd. De dreigende ontsporingen komen van de politiek; het komt op Trichet en Bernanke aan om de ontstane koersfouten te corrigeren, met instrumenten die daar niet op zijn toegerust, en deels met bevoegdheden die ze niet hebben.

Politici zijn bang, voor de Tea Partybeweging in de VS en voor primitief, nationalistisch populisme in Europa. „Geen extra belastingen”, klinkt het daar, en „geen cent naar de Grieken” – of de Italianen, of de Portugezen, vul maar in – aan deze kant.

Het wordt de populisten wel verweten dat ze zich van goedkope retorische middelen bedienen om het publiek te mobiliseren. Iemand hoeft maar „tsunami” te roepen, in de context van moslims en immigratie, en als vanzelf ziet menigeen ineens zijn vredige, islamitische dorpsgenoot als onderdeel van een verwoestende vloedgolf. Framing heet die procedure, met een verwijtend Engelstalig begrip. Framing zelf is ook een frame – when you are being framed, word je erin geluisd. Frames mogen niet, vinden de politici van de hoofdstroom, en zij zetten het politieke debat voort met argumenten die niemand in zijn gevoel raken en getallen waarvan zij zelf niets snappen – hoewel een frame niets anders is dan een raamwerk, en in het verlengde daarvan een denkkader. Het is al eeuwenlang een fundamenteel element van de retorica. Dat is volgens de definitie van Aristoteles de studie van wat overtuigingskracht bezit. Een frame, of denkkader in de retorica, is vergelijkbaar met het ‘syllogisme’ in de dialectiek. Alle mensen met een baard zijn man. Socrates is een mens met een baard. Dus Socrates is een man. Alleen gaat het in de retorica niet om logische onontkoombaarheden, maar om het suggereren van denkkaders. Noem een tsunami, die is verwoestend. Verbind dat met moslimimmigranten. Dus moet moslimimmigratie ook verwoestend zijn.

Het probleem is niet dat populisten frames gebruiken, maar dat anderen zich er te goed voor voelen, of er chagrijnig over doen omdat ze het spel niet beheersen. Zo laten zij het hele speelveld van wat overtuigingskracht bezit aan de tegenpartij.

Overtuigd moet er worden. Als één partij in de discussie over de Griekse crisis bijvoorbeeld zegt dat ambtenaren daar gratis op vakantie gaan, heeft het geen zin om daar tegenin te brengen dat bij ons in juni iedereen vakantiegeld krijgt. Het is wel waar, maar het overtuigt niet. Het doelpunt was al gescoord; dat maak je niet ongedaan door de bal terug te schoppen. Zo is het ook met de financiële crisis. Trichet doet een retorische voorzet door twee wereldoorlogen als frame aan te bieden, maar als hoogste financiële ambtenaar van Europa kan hij niet verder gaan. Hij mag proberen om politici te overtuigen, maar die zijn er niet blij mee als hij zich rechtstreeks wendt tot hun kiezers. Dat is hun exclusieve domein, maar ze doen het niet, ze druven niet, uit angst voor populisten.

Europa staat op een splitsing van wegen: daarover is vrijwel iedereen het eens. Als de euro begint te brokkelen, bijvoorbeeld door het vertrek – hoe moeilijk dat ook technisch is uit te voeren – van een kleine economie als Griekenland, is dat het begin van het einde. Dan vallen er binnen de kortste keren meer deelnemers uit en is Europa weer het terrein van versnippering, rivaliteit en oorlogen.

De andere weg is verdere economische en fiscale integratie. Staatsleningen worden dan in de toekomst niet meer uitgeschreven door de individuele landen, maar door de Europese Unie. Die gebruikt de opbrengsten om individuele landen te financieren en houdt toezicht op de besteding ervan. De kredietwaardigheid van de EU als geheel wordt gedragen door de sterkste economie, lees Duitsland, dat daarvoor een grote vinger in de pap zal willen hebben.

Is er iemand die daar graag in meegaat? Nee, want niemand wil onder indirecte curatele staan van Duitsland. En Duitsland kijkt er niet naar uit om heel Europa op zijn nek te hebben en daar het onvermijdelijke anti-Duitse gemopper voor terug te krijgen. Dus wat heeft in deze situatie overtuigingskracht? Wat is een effectieve frame?

Die ligt in de veranderde aard van de financiële markten. Er zijn de afgelopen decennia wereldwijd verbijsterende hoeveelheden liquiditeit gecreëerd – schulden aan de ene kant en vorderingen aan de andere. Zo heeft China 2.000 miljard dollar aan officiële deviezenreserves. Dat zijn geen pakhuizen vol dollarbiljetten, maar verhandelbare staatsleningen – dus vorderingen op andere staten– en bankdeposito’s. Het zijn die krankzinnige hoeveelheden geld waarmee banken en beleggingsfondsen moeten proberen om een rendement te maken en dat doen ze door het heen en weer te laten klotsen. Franse bankaandelen, Italiaanse staatsleningen en allerlei andere financiële activa – je brengt het aan het klotsen, omlaag en dan stap je erin, omhoog en je stapt eruit. Zeker als je weet dat een nerveuze ECB en Fed altijd kopers zijn als een staatslening te ver inzakt, is het een loterij met inleggarantie. Mooie winstkansen en de belastingbetaler betaalt verliezen.

Het punt is niet dat bankiers schurken zijn; het punt is dat financiële liquiditeit net water is en dat er te veel van is. Het is alsof we ooit met zijn allen in aardige motorbootjes op een meertje zijn gaan varen, waar zoveel water is bijgekomen dat het een oceaan werd. Twee of drie lagedrukgebieden komen nu samen om de perfect storm te veroorzaken en daar zijn onze bootjes niet op berekend. In het eurogebied waren we al dicht bij elkaar gaan varen en dat was verstandig. We mogen nu klagen over de schade die Griekenland ons oplevert, maar op basis van ieder voor zich hadden zelfs de grootste economieën slagzij gemaakt – inclusief Duitsland. De golven die nu de prijs van Duitse (en Nederlandse) staatsleningen opjagen, hadden anders de D-mark en de gulden omhooggestuwd, tot grote schade van de exportsector en de economie als geheel. Het is alleen dankzij de euro dat Duitsland de laatste jaren zo succesvol kon blijven exporteren.

Minister De Jager (Financiën, CDA) vraagt zich met een negatieve retorische vaardigheid af of deelname aan het Europese steunfonds niet gevaarlijk is voor de Nederlandse kredietrating. Wie daar bang voor is, moet eens proberen om los te breken uit het Europese flottielje. Die wordt binnen de kortste keren bedolven onder de financiële oceaangolven.

Het is niet Europa of de bankiers waar we last van hebben, het is de oceaan van liquiditeit. Die liquiditeit moet eruit. Bijvoorbeeld doordat China zijn 2.000 miljard dollar grote deviezenvoorraad afbouwt, door massaal te kopen bij ons en bij anderen. Dat wil zeggen – op netto basis, dus niet alleen door hun exportmachine af te remmen; er moet ook grootschalig worden geïmporteerd. Dat gaat heel lang duren. Aan onze kant betekent het dat we de balans tussen consumeren en produceren moeten rechttrekken. Dat gebeurt niet van vandaag op morgen. Tot die tijd ligt onze beste bescherming erin om ons te kleine, nationale bootje om te ruilen voor een aandeel in een schip van Europese omvang dat beter bestand is tegen oceaangolven. Dat er ook opvarenden van nog zwakkere bootjes aan boord zullen klauteren, is iets om voor lief te nemen.

Retorica houdt zich bezig met wat overtuigingskracht bezit, maar het vergt een redenaar om die overtuigingskracht om te zetten in overtuiging – een politicus met visie en moed, iemand als Churchill in 1940, met zijn We shall fight on the beaches, of als Kohl, die sceptici als Mitterrand, Thatcher en Gorbatsjov er in 1990 van overtuigde dat de Duitse hereniging moest gebeuren.

Volgende week komen Sarkozy en Merkel bij elkaar om te overleggen over de crisis. Mogen zij de moed opbrengen voor een historische stap voorwaarts. Dan is het daarna aan premier Rutte, onze eigen ontspannen historicus, om het sceptische en gemelijke Nederland te overtuigen.

Johan Schaberg is ondernemer, adviseur en medewerker van NRC Handelsblad.